Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 30 maart 2016 met alle daarin vermelde processtukken,
- de bij brief van 13 mei 2016 van de zijde van Stichting Amphia in het geding gebrachte stukken,
- het proces-verbaal van comparitie gehouden op 25 mei 2016.
2.Het geschil
3.De beoordeling
[naam X] ( [naam X] ) is geboren op [geboortedatum 2] , eveneens te Breda.
19 november 2013 een DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden. Hierbij is aan het licht gekomen dat [eiser] biologisch niet verwant is met [eiser] , maar wel met de zus van [naam X] . [eiser] en [naam X] hebben naar aanleiding hiervan geconcludeerd dat zij als baby verwisseld zijn.
30 jaar, welke termijn de rechtbank gelet op het bepaalde in artikel 73a lid 2 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek in het onderhavige geval toepasselijk acht. Immers, in het onderhavige geval is sprake van een vordering tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad zodat naar vaste rechtspraak geldt dat de aanvang van de verjaringstermijn samenvalt met het moment waarop de vordering van [eiser] is ontstaan, dat wil zeggen met het moment waarop de schade is geleden c.q. veroorzaakt (in het onderhavige geval in 1953). Zulks onverschillig de vraag of [eiser] op dat moment bekend was met de schade en zijn vordering (zie HR 4 maart 1966, NJ 1966, 215, HR 24 mei 1991, NJ 1992, 246 en
HR 11 september 1992, NJ 1992, 746 en HR 19 oktober 2001, NJ 2001, 655). Aldus is de verjaringstermijn van 30 jaar toepasselijk met als aanvangsjaar 1953, zodat deze in 1983 is volgelopen. Gezien het vorenstaande is door Stichting Amphia op juiste gronden een beroep gedaan op verjaring, nu de aansprakelijkstelling van Stichting Amphia door [eiser] eerst in 2015 heeft plaatsgevonden. Gelet hierop en gezien het bepaalde in artikel 119b Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek faalt het beroep van [eiser] op de verjaringstermijn ex artikel 3:310 lid 5 BW Pro.
.
€ 904,00(2 punten × tarief € 452,00)
4.De beslissing
14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden - met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de
explootkosten van betekening van de uitspraak vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van de vijftiende dag na betekening;
6 juli 2016.