ECLI:NL:HR:2004:AR3138
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Verjaring en redelijkheid bij schadevergoeding asbestslachtoffer met mesothelioom
Eiser vordert een voorschot op schadevergoeding wegens mesothelioom veroorzaakt door asbestblootstelling tijdens zijn werk in de jaren 1958-1961 bij een vennootschap die later is omgezet in Optimodal B.V. De rechtbank en het hof wijzen de vordering af wegens verjaring op grond van artikel 3:310 BW Pro. Eiser stelt dat toepassing van de verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Het hof onderzoekt dit aan de hand van het arrest van de Hoge Raad van 28 april 2000, waarin is bepaald dat de dertigjarige verjaringstermijn een objectief en in beginsel absoluut karakter heeft, maar in uitzonderlijke gevallen buiten toepassing kan blijven. Het hof concludeert dat onvoldoende aannemelijk is dat de bodemrechter toepassing van de verjaringstermijn onaanvaardbaar zal achten, mede gelet op het lange tijdsverloop tussen diagnose en aansprakelijkstelling.
De Hoge Raad bevestigt deze beoordeling en wijst de klachten van eiser af. De Hoge Raad benadrukt het belang van rechtszekerheid en billijkheid jegens de wederpartij en stelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de verjaringstermijn niet buiten toepassing blijft. Het beroep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de verjaring van de schadevordering van eiser.