ECLI:NL:RBZWB:2017:2886
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Prejudicieel verzoek
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over vergelijkingsmaatstaf bij buitenlandse beleggingsfondsen met binnenlandse particuliere aandeelhouders
In deze bestuursrechtelijke zaak met belastingrechtelijke aspecten heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 8 mei 2017 een aanvullende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voorgelegd. Dit gebeurde nadat een eerdere procedure met een in het Verenigd Koninkrijk gevestigd beleggingsfonds was ingetrokken. De rechtbank wenst duidelijkheid over de vraag of de vergelijkingsmaatstaf anders is indien ook binnenlandse particuliere aandeelhouders participeren in een buitenlands beleggingsfonds.
De procedure kent een voorgeschiedenis waarbij reeds prejudiciële vragen aan de Hoge Raad waren gesteld, maar deze konden niet worden beantwoord voordat het Hof van Justitie van de Europese Unie zich hierover had uitgesproken. Nadat het Engelse fonds zijn beroep introk, ontstond er een behoefte bij de rechtbank om de tweede vraag alsnog te laten beantwoorden, mede gezien de relevantie voor andere vergelijkbare procedures.
Beide partijen, belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, stemden in met het voorleggen van deze aanvullende vraag. De rechtbank heeft daarom de verdere beslissing aangehouden en de Hoge Raad verzocht om prejudiciële beantwoording van de vraag over de vergelijkingsmaatstaf in de context van binnenlandse particuliere aandeelhouders in buitenlandse beleggingsfondsen.
Uitkomst: De rechtbank legt een aanvullende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voor en houdt verdere beslissing aan.