ECLI:NL:RBZWB:2021:3302
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belastingaanslagen en vereiste aangifte inkomstenbelasting en Zvw 2013
Belanghebbende werd voor het jaar 2013 aangeslagen voor inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw). De inspecteur legde de aanslagen op na ontvangst van informatie uit een strafrechtelijk onderzoek waaruit bleek dat belanghebbende aanzienlijke uitgaven had gedaan die niet waren aangegeven. Belanghebbende stelde dat het geld afkomstig was uit legale bronnen, waaronder inkomsten uit arbeid tijdens detentie en verkoop van machines, maar kon dit niet aannemelijk maken.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende de vereiste aangifte niet had gedaan omdat de volgens de aangifte verschuldigde belasting aanzienlijk lager was dan de werkelijk verschuldigde belasting. De bewijslast lag bij de inspecteur, die dit met onder meer tapgesprekken en strafrechtelijke veroordelingen aannemelijk maakte. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur de aanslagen op een redelijke schatting baseerde en dat belanghebbende onvoldoende tegenbewijs leverde.
Het beroep tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2013 werd daarom ongegrond verklaard. Ook de beschikkingen belastingrente bleven in stand. De rechtbank wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door drie rechters-plaatsvervangers van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 10 mei 2021.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2013 wordt ongegrond verklaard en de aanslagen blijven in stand.