ECLI:NL:CRVB:2019:1394
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- F. Hoogendijk
- W.F. Claessens
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Geen uitzondering op verrekening kasstortingen als inkomen bij bijstand
De appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet, waarbij het college contante stortingen op zijn bankrekening als inkomen in mindering bracht op de bijstand. Het college verklaarde bezwaar gegrond maar handhaafde de verrekening van de stortingen over de betreffende maanden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de stortingen geleend geld betroffen, bedoeld voor levensonderhoud in een periode zonder inkomen, en dat hij dit met verklaringen van geldschieters had onderbouwd. De Raad overwoog dat kasstortingen en bijschrijvingen van derden in principe als middelen en inkomen worden aangemerkt volgens vaste rechtspraak, ook als het om leningen gaat. Een uitzondering geldt alleen indien aannemelijk wordt gemaakt dat de leningen zijn verstrekt voor levensonderhoud in een periode zonder inkomen, met duidelijke afspraken over terugbetaling.
De appellant slaagde er niet in de herkomst van de kasstortingen aannemelijk te maken, mede door het ontbreken van verifieerbare bewijsstukken bij de verklaringen. Ook was niet aangetoond dat er een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting bestond. Daarom werden de stortingen terecht als inkomen aangemerkt en in mindering gebracht op de bijstand.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat kasstortingen als inkomen worden aangemerkt en in mindering worden gebracht op de bijstand.