Belanghebbende, een buitenlands gevestigd fonds, heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2013, 2014 en 2015. De rechtbank heeft de zaak zonder mondelinge behandeling behandeld, omdat belanghebbende geen gebruik maakte van het recht op zitting.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Dit volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, die heeft vastgesteld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering, aangezien zij niet inhoudingsplichtig zijn voor dividendbelasting in Nederland.
Belanghebbende voerde aan dat het Unierecht een ander oordeel zou rechtvaardigen, maar de rechtbank ziet geen reden om prejudiciële vragen te stellen of teruggaaf toe te kennen. Zelfs bij een mogelijke onrechtmatige belemmering zou rechtsherstel plaatsvinden via een vervangende betaling, waardoor geen teruggaaf mogelijk is.
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst het verzoek om vergoeding van rente en proceskosten af. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.