Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing door de inspecteur van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2016, 2017 en 2018. De rechtbank heeft de zaak zonder mondelinge behandeling afgedaan, met instemming van partijen.
Belanghebbende stelde op basis van het Unierecht dat hij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi) en daarom recht heeft op teruggaaf. De rechtbank overwoog dat volgens de Hoge Raad het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering, die sinds 2008 geldt.
De rechtbank zag geen reden om af te wijken van de Hoge Raad-beslissing of prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Ook een beroep op het doel van de regeling bood geen soelaas. Zelfs als er sprake zou zijn van een belemmering, zou rechtsherstel plaatsvinden via een vervangende betaling, waardoor geen teruggaaf mogelijk is.
De beroepen zijn ongegrond verklaard, belanghebbende krijgt geen teruggaaf, geen rentevergoeding en geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.