Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018 en de daarbij behorende belastingrentebeschikking. De inspecteur had de aftrek van specifieke zorgkosten deels niet toegelaten, met name de kosten voor een elektrisch verstelbare bedbodem, airco en montage daarvan. De rechtbank oordeelde dat deze kosten geen specifieke zorgkosten zijn in de zin van de Wet IB 2001 en daarom niet aftrekbaar zijn.
Belanghebbende stelde dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken waren overgelegd en dat zijn hoor- en inzagerecht waren geschonden. De rechtbank verwierp deze klachten, omdat de inspecteur alle relevante stukken had overgelegd en belanghebbende voldoende gelegenheid had gehad zijn zienswijze kenbaar te maken.
Het verzoek om verdaging van de zitting wegens medische onmacht werd afgewezen omdat belanghebbende onvoldoende onderbouwing leverde en de zitting digitaal kon plaatsvinden. De rechtbank stelde vast dat de aanslag te hoog was vastgesteld door een telfout en paste deze aan naar een belastbaar inkomen van € 9.379.
De rechtbank oordeelde dat de controle van de aangifte niet onrechtmatig was, ook niet vanwege opname in de Fraude Signalering Voorziening, en wees een verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af omdat de behandeling binnen 24 maanden plaatsvond.
De uitspraak vernietigt de uitspraak op bezwaar, vermindert de aanslag en belastingrente, en bepaalt dat de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.