Conclusie
1.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
BNB2021/73. [2] Reeds daarom bestond volgens de Rechtbank geen recht op teruggaaf. In hetgeen de belanghebbende aanvoerde, zag de Rechtbank geen aanleiding om Unierechtelijk een andere wijze van rechtsherstel geboden te achten of om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Aan de klacht over “vele onduidelijkheden ten aanzien van het rechtsherstel zoals voorgeschreven door de Hoge Raad” is de Rechtbank voorbij gegaan, reeds omdat de belanghebbende niet heeft verklaard om welke onduidelijkheden het zou gaan en evenmin een eigen berekening van dat dividendbelastingvervangende bedrag heeft ingebracht. Overigens neemt die klacht volgens de Rechtbank niet weg dat de belanghebbende niet heeft ingestemd met een vervangende betaling, zodat het verzoek terecht is afgewezen. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Het dictum
BNB2022/120, [4] inhoudende dat vernietiging van de uitspraak van een voorgaande rechter wegens een misslag in het dictum slechts aangewezen is als de belangen van de appellant daarmee kunnen worden gediend. Volgens u is dat in het algemeen niet het geval als de rechtbank het beroep volgens de appelrechter niet-ontvankelijk in plaats van ongegrond had moeten verklaren.
Het teruggaafverzoek
2.Het geding in cassatie
dictavan de Rechtbank en het Hof. Hij wijst er ‘vooraf’ op dat voor de boekjaren 2002/2003 en 2003/2004 in de bezwaarfase een fout is gemaakt. Volgens hem is niet in geschil dat de belanghebbende tegen de afwijzende beschikkingen ter zake van 2002/2003 en 2003/2004 geen bezwaar heeft gemaakt en dat die beide jaren slechts bij vergissing van de Inspecteur in diens uitspraak op bezwaar van 11 mei 2017 zijn genoemd. De Inspecteur heeft dat in de procedure bij de Rechtbank al opgemerkt. De Staatssecretaris meent dat de Rechtbank daarom
het bezwaartegen de afwijzende beschikkingen voor die boekjaren alsnog niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Het Hof heeft echter geoordeeld dat de Rechtbank
het beroepvoor die boekjaren niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Nu de uitspraak op bezwaar een verkeerde beslissing omvat (voor 2002/2003 en 2003/2004 had het bezwaar niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in plaats van ongegrond), had de Rechtbank het beroep volgens de Staatssecretaris in zoverre gegrond moeten verklaren. De Staatssecretaris vraagt zich af of het Hof alsnog voor de jaren 2003/2004 en 2004/2005 het bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk had moeten verklaren en de uitspraak op bezwaar in zoverre had moeten vernietigen. Hij laat aan uw oordeel over of belanghebbendes geval vergelijikbaar is met het geval in uw door het Hof genoemde arrest HR
BNB2022/120.
3.Beoordeling
BNB2022/120 [8] betrof een belanghebbende die bezwaar had gemaakt tegen de verrekening van te restitueren inkomstenbelasting met een openstaande belastingschuld. De ontvanger had dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Die belanghebbende ging in (hoger) beroep met het oog op vergoeding van schade die de belastingdienst jegens hem zou hebben veroorzaakt. De rechtbank constateerde dat een besluit ex art. 24(1) Invorderingswet 1990 tot verrekening geen voor bezwaar vatbare beschikking is, dat uit art. 26(1) AWR volgt dat beroep bij de belastingrechter dan niet mogelijk is en dat het bezwaar dus terecht niet-ontvankelijk was verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Het hof oordeelde echter dat de belastingrechter niet bevoegd is om te oordelen over een ex art. 24 Invorderingswet Pro 1990 genomen besluit en vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank om die Rechtbank alsnog onbevoegd te verklaren. U oordeelde op het cassatieberoep daartegen dat ’s Hofs vernietiging geen belang diende, maar dat uw vernietiging van ’s Hofs uitspraak evenmin enig belang zou dienen:
BNB2022/120 mijns inziens coerrect toegepast.
BNB2022/120 op dat u in een geval als dit geen proceskostenveroordeling aangewezen acht en ook daarin dus geen redelijk belang ziet.