Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 23 december 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam eiseres] (eiseres), te [woonplaats] ,
Procesverloop
OverwegingenRelevante feiten en omstandigheden
Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.
De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (Wvbvv) regelt de berekening van de beslagvrije voet in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Uit artikel 475c, lid 1, onderdeel a, Rv volgt dat een beslagvrije voet is verbonden aan vorderingen tot periodieke betaling van uitkeringen op grond van de Participatiewet. De berekening van de hoogte van de beslagvrije voet is neergelegd in de artikelen 475da en 475db Rv. Uit artikel 475dc Rv volgt dat, als deze berekening leidt tot een beslagvrije voet die hoger is dan 95% van het maandelijkse inkomen, de beslagvrije voet in afwijking van die artikelen 95% bedraagt van het maandelijkse inkomen dat de geëxecuteerde ontvangt op basis van zijn vorderingen tot periodieke betaling genoemd in – onder meer - artikel 475c, eerste lid, onderdeel a, Rv (de uitkering op grond van de Participatiewet).