ECLI:NL:RBZWB:2023:5474
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van rentebeschikkingen en proceskostenvergoeding in belastingzaken
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde beroepen van belanghebbende tegen rentebeschikkingen van de inspecteur op grond van artikel 30ha AWR. In zaak 21/1144 werd een rentebeschikking van €9 betwist, terwijl in zaken 22/4147 en 22/4148 rentebeschikkingen over teruggaaf bpm aan de orde waren.
De rechtbank oordeelde dat het beroep in zaak 21/1144 ontvankelijk en gegrond was, omdat de rentebeschikking te laag was vastgesteld. De rentevergoeding werd verhoogd tot €45, waarbij de inspecteur €36 aan rente moet bijbetalen. De beroepen in de andere zaken werden ongegrond verklaard, omdat de renteberekening conform de AWR en het DNB-rentepercentage was.
Verder werd geoordeeld dat het hoorrecht niet was geschonden, ondanks dat belanghebbende niet op uitnodigingen voor hoorgesprekken was ingegaan. Er was geen aanleiding voor immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, omdat de vermeende spanning en frustratie niet aannemelijk was gemaakt.
Ten slotte werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende, waarbij een forfaitaire vergoeding voor de bijstand van de gemachtigde werd toegekend. Het verzoek van de inspecteur om proceskostenvergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep in zaak 21/1144 is gegrond verklaard en de rentebeschikking verhoogd, terwijl de andere beroepen zijn afgewezen; proceskosten en griffierecht zijn aan belanghebbende toegekend.