ECLI:NL:RBZWB:2023:8809
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing teruggaafverzoeken Nederlandse dividendbelasting buitenlandse beleggingsfondsen
Deze uitspraak betreft meerdere zaken van buitenlandse beleggingsfondsen die beroep instelden tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting. De rechtbank behandelt deze zaken gezamenlijk vanwege de gelijke rechtsvragen en het grote aantal procedures.
De fondsen baseren hun verzoeken op het Unierecht en stellen dat zij vergelijkbaar zijn met Nederlandse fiscale beleggingsinstellingen (fbi's), waardoor zij recht zouden hebben op teruggaaf. De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2020, waarin is bepaald dat teruggaaf kan worden verleend mits instemming met een vervangende betaling. De fondsen hebben echter niet ingestemd met deze vervangende betaling, waardoor geen recht op teruggaaf bestaat.
Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de teruggaafverzoeken die onder het regime van de afdrachtvermindering vallen, terecht zijn afgewezen. Het arrest van de Hoge Raad van 9 april 2021 bevestigt dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het niet toekennen van deze tegemoetkoming aan buitenlands gevestigde beleggingsinstellingen.
De rechtbank wijst ook het standpunt van de fondsen af dat sprake zou zijn van verboden staatssteun aan binnenlandse fbi's, omdat er geen vergelijkbare groep is die wordt bevoordeeld. Ten slotte verklaart de rechtbank de beroepen ongegrond en wijst zij een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De rechtbank wijst de beroepen van buitenlandse beleggingsfondsen tegen de afwijzing van teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting af.