ECLI:NL:RBZWB:2023:8929
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM van € 1.443 opgelegd door de inspecteur. De kern van het geschil betrof de vaststelling van de historische nieuwprijs van een Jaguar F-type, de waardevermindering door schade en het schadeverleden, en de vraag of sprake was van essentiële gebreken.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur terecht de historische nieuwprijs had vastgesteld op basis van de referentieauto inclusief de bruto BPM, waarbij de feitelijke hogere CO2-uitstoot van de auto niet relevant was. Tevens werd geoordeeld dat belanghebbende onvoldoende had aangetoond dat de schade tot een waardevermindering leidde, mede omdat sprake was van essentiële gebreken die waardevermindering uitsluiten.
Verder werd het beroep op strijd met artikel 110 VWEU Pro verworpen. Wel kende de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, evenals een vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep werd daarmee ongegrond verklaard, maar met een vergoeding voor de termijnoverschrijding.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.