De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelt het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen van de Belastingdienst op haar aanvraag om aanvullende compensatie voor werkelijke schade in het kader van de kinderopvangtoeslag.
Eerder had de rechtbank op 17 april 2023 een termijn van acht weken gesteld waarbinnen de Belastingdienst moest beslissen. Omdat deze termijn is overschreden zonder dat een besluit is genomen, is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond verklaard.
De rechtbank legt de Belastingdienst op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen en stelt een dwangsom van €250 per dag met een maximum van €37.500,- vast. Tevens wordt de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiseres.
De rechtbank wijst een verzoek tot verlaging van de dwangsom af, verwijzend naar het landelijke beleid en eerdere jurisprudentie dat capaciteitsproblemen geen reden zijn voor een lagere dwangsom.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 3 januari 2024.