Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente en dwangsombeschikkingen. De rechtbank oordeelt dat het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden en dat deze schending niet kan worden gepasseerd. De inspecteur heeft de aanslag verminderd en het voordeel uit sparen en beleggen op een te hoog bedrag vastgesteld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, omdat de bankrekeningen niet als zakelijke rekeningen konden worden aangemerkt en niet onderdeel waren van het boekenonderzoek.
Verder is vastgesteld dat het looninkomen moet worden verhoogd op basis van interne compensatie, omdat de loongegevens onjuist waren verwerkt. De verzoeken om een dwangsom worden afgewezen omdat ingebrekestellingen niet rechtsgeldig via het digitaal loket zijn ingediend. De rechtbank kent belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn met zestien maanden.
De aanslag wordt verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van €133.178 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €26.493, rekening houdend met buitenlandse dividendbelasting en verrekening van loonheffing. De belastingrentebeschikking wordt dienovereenkomstig verminderd. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van de immateriële schadevergoeding en de inspecteur tot betaling van proceskosten.