Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
Motivering
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gericht tegen uitspraak op bezwaar over de aanslag IB/PVV 2017 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar over de aanslag IB/PVV 2017;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2017 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 133.178 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 26.493, waarbij rekening dient te worden gehouden met een aftrek van buitenlandse dividendbelasting van € 400 en verrekening van loonheffing van € 45.886 en binnenlandse dividendbelasting van € 397;
- vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.500;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van de proceskosten van belanghebbende van € 122,61;
- beslist dat, voor zover de immateriële schadevergoeding en/of de proceskostenvergoeding niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.