ECLI:NL:GHDHA:2023:277
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging navorderingsaanslag recht van successie wegens gebrek aan voortvarendheid
Belanghebbende erfde vermogen uit een nalatenschap waarbij een buitenlandse bankrekening in Zwitserland niet was opgegeven bij de aangifte successierecht. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag op met toepassing van de onbeperkte navorderingstermijn uit artikel 66, lid 4, Successiewet 1956. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het Gerechtshof oordeelde anders.
Het Hof stelde vast dat er een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden was tussen het moment waarop de Belastingdienst beschikte over de benodigde informatie (augustus 2017) en de aankondiging van de navorderingsaanslag (oktober 2018). Dit was in strijd met het vereiste van voortvarendheid zoals vereist door het Unierecht. De Inspecteur had de werkzaamheden niet zodanig georganiseerd dat een tijdige afhandeling was gewaarborgd.
De Inspecteur voerde aan dat het voortvarendheidsvereiste niet geldt voor derde-landen zoals Zwitserland, maar het Hof verwierp dit verweer omdat de wetgeving na de standstilldatum van 31 december 1993 is ingevoerd en het verbod op beperkingen van kapitaalverkeer ook op deze wetgeving van toepassing is.
Het Hof vernietigde daarom de navorderingsaanslag, de uitspraak op bezwaar en de uitspraak van de Rechtbank, en veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van € 3.940 en het griffierecht van € 136. Tevens werd het beroep gegrond verklaard wegens schending van het voortvarendheidsvereiste.
Uitkomst: De navorderingsaanslag wordt vernietigd wegens onvoldoende voortvarendheid van de Inspecteur.