Belanghebbende, een buitenlandse partij uit Duitsland, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2015, 2016 en 2017. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten omdat beide partijen geen behoefte hadden aan mondelinge behandeling.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht de teruggaafverzoeken heeft afgewezen. De Hoge Raad heeft namelijk bepaald dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming via de afdrachtvermindering. Belanghebbende kon geen nieuwe argumenten aandragen die aanleiding geven tot een ander oordeel of het stellen van prejudiciële vragen.
Zelfs indien er sprake zou zijn van een belemmering, zou belanghebbende geen voordeel behalen omdat het rechtsherstel volgens de Hoge Raad op een vergelijkbare wijze zou plaatsvinden als bij de teruggaafregeling, met inachtneming van een vervangende betaling. Dit betekent dat de teruggaaf niet hoger kan zijn dan de vervangende betaling die in mindering wordt gebracht.
Het argument dat belanghebbende recht heeft op teruggaaf over de periode 1 januari 2015 tot 14 maart 2016 omdat zij toen geen doelvermogen was, wordt verworpen op basis van een recente Hoge Raad-uitspraak. Ook het beroep op het feit dat belanghebbende bij vestiging in Nederland geen belasting zou zijn verschuldigd, faalt wegens onvoldoende onderbouwing.
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst de verzoeken om teruggaaf en rente af. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.