ECLI:NL:RBZWB:2024:5966

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 augustus 2024
Publicatiedatum
26 augustus 2024
Zaaknummer
23/8923 t/m 23/8925
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11a Wet op de dividendbelasting 1965Artikel XXVI Wet Overige fiscale maatregelen 2008ECLI:NL:HR:2021:506ECLI:NL:HR:2024:862HvJ EU 27 april 2023, C-537/20
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing teruggaafverzoeken dividendbelasting buitenlandse belanghebbende

Belanghebbende, een buitenlandse partij uit Duitsland, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2015, 2016 en 2017. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten omdat beide partijen geen behoefte hadden aan mondelinge behandeling.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht de teruggaafverzoeken heeft afgewezen. De Hoge Raad heeft namelijk bepaald dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming via de afdrachtvermindering. Belanghebbende kon geen nieuwe argumenten aandragen die aanleiding geven tot een ander oordeel of het stellen van prejudiciële vragen.

Zelfs indien er sprake zou zijn van een belemmering, zou belanghebbende geen voordeel behalen omdat het rechtsherstel volgens de Hoge Raad op een vergelijkbare wijze zou plaatsvinden als bij de teruggaafregeling, met inachtneming van een vervangende betaling. Dit betekent dat de teruggaaf niet hoger kan zijn dan de vervangende betaling die in mindering wordt gebracht.

Het argument dat belanghebbende recht heeft op teruggaaf over de periode 1 januari 2015 tot 14 maart 2016 omdat zij toen geen doelvermogen was, wordt verworpen op basis van een recente Hoge Raad-uitspraak. Ook het beroep op het feit dat belanghebbende bij vestiging in Nederland geen belasting zou zijn verschuldigd, faalt wegens onvoldoende onderbouwing.

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst de verzoeken om teruggaaf en rente af. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de teruggaafverzoeken dividendbelasting.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/8923 tot en met 23/8925

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] (Duitsland), belanghebbende

(gemachtigde: mr. M. Sanders),
en

de inspecteur van de belastingdienst (de inspecteur).

Inleiding

Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend tegen de uitspraak van de inspecteur van 22 juni 2023 op de bezwaren van belanghebbende tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de volgende jaren, waaraan de rechtbank de volgende zaaknummers heeft toegekend:
  • 2015 (zaaknummer 23/8923);
  • 2016 (zaaknummer 23/8924);
  • 2017 (zaaknummer 23/8925).
Een zitting is met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Awb achterwege gebleven. De inspecteur heeft in het verweerschrift van 4 januari 2024 expliciet gemeld dat hij geen gebruik wil maken van het recht om op zitting te worden gehoord en belanghebbende heeft dit gedaan bij brief van 20 maart 2024.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur terecht geen teruggaven van dividendbelasting verleend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft belanghebbende recht op teruggaaf van dividendbelasting?
Belanghebbende stelt – kort gezegd – met een beroep op het Unierecht dat recht op teruggaaf van dividendbelasting bestaat omdat belanghebbende vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (hierna: fbi).
Gezien het overgangsrecht van artikel XXVI, leden 8 en 9, van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 [1] , is – kort gezegd – voor teruggaafverzoeken met betrekking tot de boekjaren vanaf het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2008 het regime van de afdrachtvermindering [2] van belang.
De rechtbank is van oordeel dat de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen, reeds gelet op het volgende. De Hoge Raad heeft beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door de omstandigheid dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen, in verband met het gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van de afdrachtvermindering. [3] In wat belanghebbende heeft aangevoerd tegen de beslissing van de Hoge Raad, ziet de rechtbank geen aanleiding om wel teruggaaf te verlenen of prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Voor zover belanghebbende aanvoert dat – mede gelet op het doel – de afdrachtvermindering niet in relevante zin (voor de toepassing van de belemmeringsvraag) afwijkt van de oude teruggaafregeling, kan dat belanghebbende evenmin baten. De rechtbank is in enige eerdere uitspraken, voorafgaand aan de HR-beslissing, [4] in de kern uitgegaan van een vergelijkbare opvatting, maar de Hoge Raad heeft anders beslist. [5]
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zelfs als wel sprake zou zijn van een ongerechtvaardigde belemmering van het vrije verkeer van kapitaal, dit belanghebbende niet zou kunnen baten. In dat geval zou – indien belanghebbende ook overigens vergelijkbaar is met een fbi – het namelijk naar het oordeel van de rechtbank voor de hand liggen dat rechtsherstel plaatsvindt op overeenkomstige wijze zoals de Hoge Raad in zijn beslissing van 23 oktober 2020 heeft uiteengezet voor – kort gezegd – de teruggaafregeling, dus met inachtneming van een zogenoemde vervangende betaling. [6] Dit overeenkomstige rechtsherstel zou niet tot een teruggaaf kunnen leiden. Voor een fbi is de tegemoetkoming in de vorm van de afdrachtvermindering immers nimmer hoger dan het door haar af te dragen bedrag aan dividendbelasting dat zij heeft ingehouden op de door haar uitgedeelde winst. Gelet daarop zou voor een buitenlands fonds een vergelijkbare tegemoetkoming maar dan in de vorm van een teruggaaf niet hoger kunnen zijn dan de vervangende betaling die op die teruggaaf in mindering zou komen, ook niet indien de grondslag voor de vervangende betaling zou zijn beperkt tot – kort gezegd – de Nederlandse winst. Opmerking verdient daarbij dat – afgezien van de kwestie van de grondslag van de vervangende betaling – de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten aanwezig acht voor het oordeel dat sprake is van redelijke twijfel dat de door de Hoge Raad voorgeschreven wijze van rechtsherstel bij de teruggaafregeling, verenigbaar is met het Unierecht. [7]
Ook wat belanghebbende in dit verband aanvoert onder verwijzing naar het arrest L-Fund [8] is geen aanleiding voor een ander oordeel. [9]
In hetgeen Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft overwogen in zijn uitspraken van 26 oktober 2022 [10] en 18 januari 2023 [11] , ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen, mede gelet op de werking van het Duitse fiscale systeem. De rechtbank ziet geen reden om de zaken – zoals door belanghebbende verzocht – aan te houden in afwachting van de uitkomst van de tegen hiervoor genoemde uitspraken ingestelde beroepen in cassatie.
Het argument van belanghebbende dat zij recht heeft op teruggaaf van de dividendbelasting die in de periode van 1 januari 2015 tot 14 maart 2016 is ingehouden omdat zij in die periode geen doelvermogen is, stuit af op het oordeel van de Hoge Raad in het arrest van 14 juni 2024. [12] Belanghebbende heeft immers bewijzen van deelgerechtigdheid uitgegeven blijkens de door haar overgelegde stukken. Het argument dat belanghebbende dan recht heeft op teruggaaf omdat zij bij vestiging in Nederland geen belasting zou zijn verschuldigd slaagt niet omdat belanghebbende, op wie de bewijslast rust, dit argument niet heeft onderbouwd, laat staan aannemelijk gemaakt.
Gelet hierop wordt niet toegekomen aan de behandeling van de overige verweren van de inspecteur.
Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft belanghebbende evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.

Conclusie en gevolgen

De beroepen zijn ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Belanghebbende krijgt ook geen vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen van belanghebbende ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, op 26 augustus 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Stb. 2007, 563.
2.Artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965.
4.Bijv. ECLI:NL:RBZWB:2019:5898, rov. 4.4.4 en 4.4.5.
5.Vgl. in verband met het laatste uitgebreider ECLI:NL:RBZWB:2022:1258.
6.ECLI:NL:HR:2020:1674, onderdeel 5.4.
7.ECLI:NL:RBZWB:2021:264, rov. 4.2.7 tot en met 4.2.14.
8.HvJ EU 27 april 2023, C-537/20, ECLI:EU:C:2023:339.
9.Vgl. de conclusie van AG Ettema van 3 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:988.