Uitspraak
zaaknummers: BRE 23/9150 en 23/9151
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2025 in de zaken tussen
de inspecteur van de belastingdienst (de inspecteur).
Inleiding
- 2017 (zaaknummer 23/9150);
- 2018 (zaaknummer 23/9151).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een buitenlandse belegger, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2017 en 2018. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten omdat partijen geen behoefte hadden aan mondelinge behandeling.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Dit volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, die heeft bepaald dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor afdrachtvermindering, omdat zij niet inhoudingsplichtig zijn.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat het regime van afdrachtvermindering niet wezenlijk verschilt van de oude teruggaafregeling en dat er sprake zou zijn van verboden staatssteun aan binnenlandse beleggingsfondsen. De rechtbank verwerpt deze stellingen en benadrukt dat het fbi-regime niet als selectieve maatregel kan worden aangemerkt en dat uitvoering van rechtspraak niet als staatssteun kan gelden.
De rechtbank concludeert dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting en ook geen vergoeding van rente of proceskosten. De beroepen worden ongegrond verklaard en het griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst het verzoek tot teruggaaf dividendbelasting af.