Belanghebbende, een buitenlandse belegger, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2015 tot en met 2020. De rechtbank heeft de zaken behandeld zonder zitting, omdat beide partijen geen gebruik wilden maken van het recht op mondelinge behandeling.
De kern van het geschil betreft de vraag of belanghebbende, die zich vergelijkt met een fiscale beleggingsinstelling (fbi), recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting op grond van het Unierecht en het overgangsrecht van de Wet Overige fiscale maatregelen 2008. De rechtbank verwijst naar de jurisprudentie van de Hoge Raad, die heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming via de afdrachtvermindering.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de afdrachtvermindering niet wezenlijk verschilt van de oude teruggaafregeling, maar dit verweer wordt verworpen. Ook prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie worden niet gesteld, omdat de Hoge Raad hierover reeds duidelijkheid heeft gegeven. De rechtbank merkt op dat zelfs indien sprake zou zijn van een onrechtmatige belemmering, het rechtsherstel volgens de Hoge Raad zou plaatsvinden via een vervangende betaling, waardoor geen hogere teruggaaf mogelijk is.
De rechtbank sluit aan bij eerdere uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en bevestigt de rechtmatigheid van de afwijzing. Omdat geen recht op teruggaaf bestaat, is er ook geen recht op rentevergoeding. De beroepen worden ongegrond verklaard, en belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.