Belanghebbende, een buitenlandse belegger gevestigd in Luxemburg, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing door de inspecteur van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2008 tot en met 2018. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten omdat partijen geen gebruik wilden maken van het recht op mondelinge behandeling.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Dit volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad die bepaalt dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering in Nederland. Belanghebbende kon geen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie rechtvaardigen en ook het beroep op het doel van de regeling bood geen soelaas.
Verder overweegt de rechtbank dat zelfs als er sprake zou zijn van een belemmering, het rechtsherstel volgens de Hoge Raad zou plaatsvinden via een vervangende betaling, die niet leidt tot teruggaaf. Ook het argument dat het niet toekennen van teruggaaf aan buitenlandse fondsen leidt tot verboden staatssteun wordt verworpen. De rechtbank stelt dat het fbi-regime niet selectief is en dat rechtspraak geen staatssteun vormt.
De beroepen worden ongegrond verklaard, belanghebbende krijgt geen teruggaaf, geen rentevergoeding en geen proceskostenvergoeding. Het griffierecht wordt niet teruggegeven.