ECLI:NL:RBZWB:2025:1211
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op teruggaaf dividendbelasting door buitenlandse belegger
Belanghebbende, een buitenlandse belegger, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2018 en 2019. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten omdat beide partijen geen zitting wensten.
De kern van het geschil betreft de vraag of belanghebbende, die zich vergelijkt met een fiscale beleggingsinstelling (fbi), recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting op grond van het Unierecht en het overgangsrecht van de Wet Overige fiscale maatregelen 2008. De rechtbank oordeelt dat de Hoge Raad heeft vastgesteld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering.
Belanghebbendes argumenten om teruggaaf te verkrijgen of prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie worden verworpen. Ook eerdere uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en recente jurisprudentie van de Hoge Raad bevestigen dit oordeel. De rechtbank concludeert dat geen recht bestaat op teruggaaf of rentevergoeding over de ingehouden dividendbelasting.
De beroepen worden ongegrond verklaard, belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug en er is geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De beroepen van belanghebbende tegen de afwijzing van teruggaaf dividendbelasting worden ongegrond verklaard.