Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2025 in de zaken tussen
de inspecteur van de belastingdienst (de inspecteur).
Inleiding
- 2018 (zaaknummer 24/470);
- 2019 (zaaknummer 24/471).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een buitenlandse belegger, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2018 en 2019. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend, mede gelet op het overgangsrecht en de jurisprudentie van de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering, aangezien zij niet inhoudingsplichtig zijn. Belanghebbende kon geen nieuwe gronden aandragen om dit oordeel te wijzigen of prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Verder overweegt de rechtbank dat zelfs bij een mogelijke ongerechtvaardigde belemmering, het voorgestelde rechtsherstel niet tot teruggaaf kan leiden omdat de tegemoetkoming nooit hoger is dan het ingehouden bedrag. Ook de stelling dat het fbi-regime staatssteun inhoudt, wordt verworpen omdat het niet selectief is en de uitvoering van rechtspraak geen staatssteun vormt.
De beroepen worden ongegrond verklaard, belanghebbende krijgt geen teruggaaf, geen rentevergoeding en geen proceskostenvergoeding. Het griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de teruggaafverzoeken dividendbelasting worden ongegrond verklaard.