Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2025 in de zaken tussen
de inspecteur van de belastingdienst (de inspecteur).
Inleiding
- 2018 (zaaknummer 24/472);
- 2019 (zaaknummer 24/473);
- 2020 (zaaknummer 24/474).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een buitenlandse belegger uit Duitsland, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2018 tot en met 2020. De rechtbank heeft de zaken behandeld zonder zitting op grond van artikel 8:57 Awb Pro.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Dit volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad die bepaalt dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor afdrachtvermindering, omdat zij niet inhoudingsplichtig zijn voor dividendbelasting in Nederland.
Belanghebbende voerde aan dat het fbi-regime ongerechtvaardigde belemmeringen en verboden staatssteun inhoudt, maar de rechtbank wijst dit af. Het fbi-regime is geen selectieve maatregel en de uitvoering van rechtspraak kan niet worden aangemerkt als staatssteun. Ook prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie zijn niet noodzakelijk.
De rechtbank concludeert dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf of rentevergoeding en verklaart de beroepen ongegrond. Het griffierecht wordt niet teruggegeven en proceskosten worden niet vergoed.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting.