Belanghebbende, een buitenlands beleggingsfonds, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2018 tot en met 2020. De rechtbank overweegt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend, mede op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad die bepaalt dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het niet toekennen van tegemoetkomingen aan buitenlandse beleggingsinstellingen.
Belanghebbende betoogt dat het Unierecht recht op teruggaaf geeft omdat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi). De rechtbank ziet echter geen aanleiding om af te wijken van de Hoge Raad-beslissing of prejudiciële vragen te stellen. Ook het argument dat het niet toekennen van teruggaaf neerkomt op verboden staatssteun wordt verworpen, omdat het fbi-regime niet selectief is en de uitvoering van rechtspraak geen staatssteun vormt.
De rechtbank concludeert dat geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting en evenmin op vergoeding van rente of proceskosten. De beroepen worden ongegrond verklaard en het griffierecht wordt niet teruggegeven.