Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2025 in de zaken tussen
de inspecteur van de belastingdienst (de inspecteur).
Inleiding
- 2018 (zaaknummer 24/480);
- 2019 (zaaknummer 24/481).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een buitenlandse belegger uit Duitsland, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2018 en 2019. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten en de zaak inhoudelijk beoordeeld op basis van het ingediende beroepschrift.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi) en daarom recht heeft op teruggaaf op grond van het Unierecht. De rechtbank volgt echter de jurisprudentie van de Hoge Raad, die heeft bepaald dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering.
Verder overweegt de rechtbank dat zelfs als er sprake zou zijn van een belemmering, rechtsherstel zou plaatsvinden via een vervangende betaling, waardoor geen hogere teruggaaf mogelijk is. Ook de stelling dat het fbi-regime verboden staatssteun inhoudt, wordt verworpen omdat het niet toekennen van teruggaaf het gevolg is van de uitleg van het Unierecht en rechtspraak geen staatssteun vormt.
De beroepen worden ongegrond verklaard, belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug en er is geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen en griffier I. van Wijk op 12 juni 2025.
Uitkomst: De rechtbank wijst de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting af en verklaart de beroepen ongegrond.