ECLI:NL:RBZWB:2025:3673
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing teruggaafverzoek dividendbelasting buitenlands fonds op grond van Unierecht
Belanghebbende, een buitenlands fonds, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek om teruggaaf van dividendbelasting over 2020. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten en het beroep inhoudelijk beoordeeld.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Dit volgt uit het overgangsrecht van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 en de jurisprudentie van de Hoge Raad, die bepaalt dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buitenlands gevestigde beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor afdrachtvermindering.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling en dat het Unierecht teruggaafrecht verleent, maar de rechtbank ziet geen reden om af te wijken van de Hoge Raad. Ook prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie zijn niet nodig.
Zelfs als sprake zou zijn van een belemmering, zou het rechtsherstel plaatsvinden via een vervangende betaling, waardoor geen hogere teruggaaf mogelijk is. De rechtbank wijst ook het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat deze niet is overschreden.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, het griffierecht en proceskosten worden niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om teruggaaf dividendbelasting 2020 wordt ongegrond verklaard.