Belanghebbende, een buitenlandse entiteit uit Luxemburg, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2020 tot en met 2022. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten en de zaak inhoudelijk beoordeeld op basis van het Unierecht en nationale regelgeving.
De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad heeft vastgesteld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de dividendbelasting via de afdrachtvermindering. Belanghebbende kon geen nieuwe argumenten aandragen die aanleiding geven tot een ander oordeel of het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Daarnaast acht de rechtbank het fbi-regime niet selectief en wijst het beroep op verboden staatssteun af, omdat het niet toekennen van teruggaaf voortvloeit uit de uitleg van het Unierecht. De rechtbank concludeert dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf of rentevergoeding en verklaart de beroepen ongegrond. Tevens wordt het griffierecht niet teruggegeven en worden proceskosten niet vergoed.