Belanghebbende, een buitenlandse entiteit, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing door de inspecteur van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2018 tot en met 2021. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten en de zaak inhoudelijk beoordeeld.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi) en op grond daarvan recht heeft op teruggaaf. De rechtbank volgt echter de jurisprudentie van de Hoge Raad, die heeft vastgesteld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering.
Ook de argumenten van belanghebbende dat de afdrachtvermindering niet wezenlijk afwijkt van de oude teruggaafregeling en dat er sprake zou zijn van een ongerechtvaardigde belemmering, worden door de rechtbank verworpen. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken en bevestigt dat rechtsherstel, indien al aan de orde, alleen kan plaatsvinden via een vervangende betaling die de teruggaaf beperkt.
Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn wordt afgewezen omdat de termijn niet is overschreden. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.