Art. 11a Wet op de dividendbelasting 1965artikel 8:57 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoeken tot teruggaaf dividendbelasting buitenlandse belegger
Belanghebbende, een buitenlandse partij uit Duitsland, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing door de inspecteur van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2018 en 2019. De rechtbank heeft de zitting met toepassing van artikel 8:57 AwbPro achterwege gelaten en de zaken inhoudelijk beoordeeld.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Dit volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, die heeft vastgesteld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor tegemoetkoming via de afdrachtvermindering. Belanghebbende kon geen nieuwe gronden aandragen die aanleiding geven tot een ander oordeel of tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Ook de argumenten over het doel en de werking van de afdrachtvermindering en de oude teruggaafregeling kunnen belanghebbende niet baten. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken en bevestigt dat zelfs bij een mogelijke onrechtmatige belemmering het rechtsherstel op grond van de Hoge Raad zou plaatsvinden via een vervangende betaling, waardoor geen daadwerkelijke teruggaaf zou ontstaan.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaken aan te houden in verband met een lopende inbreukprocedure van de Europese Commissie. Omdat geen recht op teruggaaf bestaat, is er ook geen recht op rentevergoeding. De beroepen worden ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en proceskosten worden niet vergoed.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de teruggaaf van dividendbelasting worden ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/3906 en 24/3907
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2025 in de zaken tussen
[belanghebbende], uit [plaats] (Duitsland), belanghebbende
(gemachtigde: mr. J.J.E. Hoefnagel),
en
de inspecteur van de belastingdienst (de inspecteur).
Inleiding
Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend tegen de uitspraak van de inspecteur van 26 februari 2024 op de bezwaren van belanghebbende tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de volgende jaren, waaraan de rechtbank de volgende zaaknummers heeft toegekend:
2018 (zaaknummer 24/3906);
2019 (zaaknummer 24/3907).
Een zitting is met toepassing van artikel 8:57 vanPro de Awb achterwege gebleven.
Beoordeling door de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur terecht geen teruggaven van dividendbelasting verleend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft belanghebbende recht op teruggaaf van dividendbelasting?
Belanghebbende stelt – kort gezegd – met een beroep op het Unierecht dat recht op teruggaaf van dividendbelasting bestaat omdat belanghebbende vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (hierna: fbi).
Gezien het overgangsrecht van artikel XXVI, leden 8 en 9, van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 [1] , is – kort gezegd – voor teruggaafverzoeken met betrekking tot de boekjaren vanaf het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2008 het regime van de afdrachtvermindering [2] van belang.
De rechtbank is van oordeel dat de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen, reeds gelet op het volgende. De Hoge Raad heeft beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door de omstandigheid dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen, in verband met het gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van de afdrachtvermindering. [3] In wat belanghebbende heeft aangevoerd tegen de beslissing van de Hoge Raad, ziet de rechtbank geen aanleiding om wel teruggaaf te verlenen of prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. [4] De rechtbank ziet evenmin aanleiding de zaken aan te houden in verband met de inbreukprocedure door de Europese Commissie. Voor zover belanghebbende aanvoert dat – mede gelet op het doel – de afdrachtvermindering niet in relevante zin (voor de toepassing van de belemmeringsvraag) afwijkt van de oude teruggaafregeling, kan dat belanghebbende evenmin baten. De rechtbank is in enige eerdere uitspraken, voorafgaand aan de HR-beslissing, [5] in de kern uitgegaan van een vergelijkbare opvatting, maar de Hoge Raad heeft anders beslist. [6]
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zelfs als wel sprake zou zijn van een ongerechtvaardigde belemmering van het vrije verkeer van kapitaal, dit belanghebbende niet zou kunnen baten. In dat geval zou – indien belanghebbende ook overigens vergelijkbaar is met een fbi – het namelijk naar het oordeel van de rechtbank voor de hand liggen dat rechtsherstel plaatsvindt op overeenkomstige wijze zoals de Hoge Raad in zijn beslissing van 23 oktober 2020 heeft uiteengezet voor – kort gezegd – de teruggaafregeling, dus met inachtneming van een zogenoemde vervangende betaling. [7] Dit overeenkomstige rechtsherstel zou niet tot een teruggaaf kunnen leiden. Voor een fbi is de tegemoetkoming in de vorm van de afdrachtvermindering immers nimmer hoger dan het door haar af te dragen bedrag aan dividendbelasting dat zij heeft ingehouden op de door haar uitgedeelde winst. Gelet daarop zou voor een buitenlands fonds een vergelijkbare tegemoetkoming maar dan in de vorm van een teruggaaf niet hoger kunnen zijn dan de vervangende betaling die op die teruggaaf in mindering zou komen, ook niet indien de grondslag voor de vervangende betaling zou zijn beperkt tot – kort gezegd – de Nederlandse winst. Opmerking verdient daarbij dat – afgezien van de kwestie van de grondslag van de vervangende betaling – de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten aanwezig acht voor het oordeel dat sprake is van redelijke twijfel dat de door de Hoge Raad voorgeschreven wijze van rechtsherstel bij de teruggaafregeling, verenigbaar is met het Unierecht. [8]
Ook wat belanghebbende in dit verband aanvoert onder verwijzing naar het arrest L-Fund [9] is geen aanleiding voor een ander oordeel. [10]
In hetgeen Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft overwogen in zijn uitspraken van 26 oktober 2022 [11] en 18 januari 2023 [12] en 22 februari 2023 [13] , ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. Dit onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 13 september 2024. [14] Deze laatste uitspraak is tevens een bevestiging van al hetgeen hiervoor is overwogen.
Gelet hierop wordt niet toegekomen aan de behandeling van de overige verweren van de inspecteur.
Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft belanghebbende evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.
Conclusie en gevolgen
De beroepen zijn ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Belanghebbende krijgt ook geen vergoeding van proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, op 12 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen op “www.rechtspraak.nl”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Voetnoten
1.Stb. 2007, 563.
2.Artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965.