Belanghebbende, een buitenlandse belegger, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2020, 2021 en 2022. De rechtbank overweegt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend, mede gelet op het overgangsrecht en de jurisprudentie van de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering, omdat zij niet inhoudingsplichtig zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken of prejudiciële vragen te stellen. Ook het beroep op het arrest L-Fundis en uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch leiden niet tot een ander oordeel.
De rechtbank overweegt verder dat zelfs indien er sprake zou zijn van een belemmering, het rechtsherstel volgens de Hoge Raad zou plaatsvinden via een vervangende betaling en niet tot een teruggaaf kan leiden. Belanghebbende heeft ook geen recht op vergoeding van rente of immateriële schade. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.