Belanghebbende, een buitenlandse belegger uit Luxemburg, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2015, 2016 en 2017. De rechtbank heeft een zitting achterwege gelaten en de zaak op basis van de stukken behandeld.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Dit volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, die heeft vastgesteld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering in Nederland. Belanghebbende heeft geen voldoende gronden aangevoerd om hiervan af te wijken of prejudiciële vragen te stellen.
Ook indien er sprake zou zijn van een belemmering van het vrije kapitaalverkeer, zou belanghebbende geen recht hebben op teruggaaf zonder een vervangende betaling, conform de door de Hoge Raad voorgeschreven rechtsherstelwijze. De rechtbank acht de voorgeschreven wijze verenigbaar met het Unierecht.
Daarnaast wijst de rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn af, omdat deze termijn niet is overschreden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.