ECLI:NL:RBZWB:2025:6866
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van €8.087 en belastingrente van €58 opgelegd door de inspecteur. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag en belastingrente terecht zijn opgelegd en niet te hoog zijn, maar verklaart het beroep gegrond omdat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard.
De rechtbank beoordeelt diverse aangevoerde bezwaren, waaronder strijdigheid met het Unierecht, het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel, tenaamstelling en de berekening van de BPM op basis van CO2-uitstoot. Deze bezwaren worden verworpen op grond van vaste jurisprudentie en feitelijke beoordeling.
Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de schade aan de auto bij inschrijving aanwezig was, waardoor de taxatiemethode niet toepasbaar is. De inspecteur heeft terecht de forfaitaire afschrijvingstabel gebruikt voor de BPM-berekening.
De rechtbank kent belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar. Tevens wordt proceskostenvergoeding van €2.461 en griffierechtvergoeding van €371 aan belanghebbende toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink op 10 oktober 2025.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens onterechte niet-ontvankelijkheid van het bezwaar, de naheffingsaanslag en belastingrente blijven in stand, en belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding van €500.