ECLI:NL:RBZWB:2026:1379

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
24/3517
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:32 AwbArt. 65 WIAArt. 629 Boek 7 BWArt. 76a Ziektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever

Eiseres, een werkgever, werd door het UWV een loonsanctie opgelegd omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen zou hebben verricht voor haar werknemer die sinds maart 2021 arbeidsongeschikt was. De werknemer had beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren en kon niet terugkeren in zijn oorspronkelijke functie, waarna een 2e spoor traject werd ingezet. Dit traject stagneerde en werd uiteindelijk beëindigd vanwege verslechterde belastbaarheid.

Het UWV baseerde de loonsanctie op rapportages van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, die concludeerden dat eiseres onvoldoende had gedaan om de werknemer te herplaatsen of te begeleiden bij passende arbeid. De verzekeringsarts b&b voerde overleg met een bedrijfsarts in opleiding en vond dat er wel mogelijkheden waren voor verdere re-integratie, ondanks de psychische beperkingen.

Eiseres stelde dat zij mocht vertrouwen op het advies van de bedrijfsarts en dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door geen overleg te voeren met de oorspronkelijke bedrijfsarts. De rechtbank oordeelde dat het UWV voldoende zorgvuldig had gehandeld en dat het ontbreken van direct overleg met de oorspronkelijke bedrijfsarts niet leidde tot schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Tevens bevestigde de rechtbank dat de werkgever verantwoordelijk blijft voor de re-integratie, ook als het advies van de bedrijfsarts achteraf onjuist blijkt.

De rechtbank concludeerde dat de loonsanctie terecht was opgelegd en dat eiseres geen deugdelijke grond had voor de tekortkomingen in de re-integratie. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard, en zij kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/3517

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[bedrijf] B.V., uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigden: mr. M.E.C. van Deursen en mr. N.I. Vink),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. E. Lipman).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [werknemer] uit [plaats 2] (werknemer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het UWV terecht heeft beslist dat eiseres het loon van haar werknemer een jaar langer moet doorbetalen, omdat eiseres niet genoeg re-integratie-inspanningen heeft verricht (loonsanctie). Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de loonsanctie terecht is opgelegd
.Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 23 maart 2023 heeft het UWV aan eiseres een loonsanctie opgelegd. Met het besluit van 8 februari 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.1.
Bij besluit van 1 maart 2024 (het bestreden besluit) handhaaft het UWV de beslissing over de loonsanctie in deze besluiten, met uitzondering van de daarin vermelde einddatum van de loonsanctie. Die einddatum is gecorrigeerd van 25 april 2024 naar 25 maart 2024. Daarbij heeft het UWV bepaald dat het bestreden besluit in de plaats treedt van de beslissing op bezwaar van 8 februari 2024. [1]
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De werknemer heeft geen toestemming verleend om eiseres kennis te laten nemen van stukken die medische gegevens bevatten. Met de beslissing van 7 mei 2025 heeft de rechtbank, met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaald dat eiseres van nader genoemde stukken geen kennis mag nemen en dat kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is. Omdat de werknemer geen toestemming heeft gegeven om medische gegevens aan eiseres te verstrekken, zal in deze uitspraak geen melding worden gemaakt van specifieke op de werknemer betrekking hebbende medische gegevens.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres, een HR-adviseur van eiseres ( [persoon] ) en de gemachtigde van het UWV.
2.5.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en schriftelijk de uitspraaktermijn verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
3. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
3.1.
De werknemer is vanaf 1 augustus 2018 als Key Accountmanager bij eiseres werkzaam geweest. Op 29 maart 2021 is hij voor deze werkzaamheden uitgevallen.
3.2.
Op 12 januari 2022 heeft de bedrijfsarts van ArboNed de functionele mogelijkheden van de werknemer vastgesteld, waarbij beperkingen zijn aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren.
3.3.
Op 14 februari 2022 heeft een arbeidsdeskundige van ArboNed een Arbeidsdeskundig Re-integratie Onderzoek (ARO) uitgevoerd. De arbeidsdeskundige concludeert in het rapport van het ARO dat het eigen werk op dit moment (nog) niet passend zou zijn en de functie ook is komen te vervallen, waardoor terugkeer in de eigen functie niet meer mogelijk is. Daarom zal er nader onderzoek moeten plaatsvinden om te komen tot een samenstelling van taken/rollen. Indien eiseres geen structurele invulling in taken kan bieden, dient op voorhand ook een extern re-integratietraject opgestart te worden. De arbeidsdeskundige stelt vast dat de werknemer benutbare mogelijkheden heeft voor passende arbeid op de arbeidsmarkt. Hij adviseert om de werknemer aan te melden bij een re-integratiebureau ter begeleiding van een zogenaamd 2e spoor traject gericht op passend werk bij een andere werkgever, nu er intern geen voldoende passend werk gerealiseerd kan worden.
3.4.
Het 2e spoor traject is op 7 maart 2022 ingezet.
3.5.
Op 23 november 2022 heeft de bedrijfsarts in een Actueel oordeel aangegeven dat de werknemer na aanvankelijk herstel gedetacheerd is gaan werken bij een andere werkgever. Dat bleek echter niet haalbaar en werd beëindigd. Daarna verslechterde de belastbaarheid dusdanig dat geen nieuwe re-integratiepoging mogelijk was. Op dat moment waren er volgens de bedrijfsarts geen mogelijkheden voor re-integratie.
3.6.
In de eindevaluatie van 15 december 2022 is opgenomen dat de werknemer niet kan werken en niet belastbaar is voor werk. Daarnaast is aangegeven dat er geen mogelijkheden meer zijn in het 1e spoor omdat de functie is komen te vervallen in verband met een reorganisatie en er geen andere passende opties beschikbaar zijn binnen de organisatie.
3.7.
De werknemer heeft op 3 januari 2023 bij het UWV een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
3.8.
De bedrijfsarts is per 1 februari 2023 met pensioen gegaan.
3.9.
Met het besluit van 23 maart 2023 heeft het UWV aan eiseres een loonsanctie opgelegd, omdat zij niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Daarbij is aan de werknemer meegedeeld dat de behandeling van zijn WIA-aanvraag uitgesteld wordt.
3.10.
Met het besluit van 8 februari 2024 op het bezwaar van eiseres heeft het UWV de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.
3.11.
Bij bestreden besluit van 1 maart 2024 heeft het UWV de einddatum van de loonsanctie gecorrigeerd naar 25 maart 2024 en dit besluit in de plaats gesteld van de beslissing op bezwaar van 8 februari 2024.
Beoordelingskader
4. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het UWV op goede gronden aan eiseres een loonsanctie heeft opgelegd.
4.1.
De te beoordelen periode betreft de periode vanaf het moment van uitval (29 maart 2021) tot het opleggen van de loonsanctie (23 maart 2023).
4.2.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het onderzoek van het UWV en het bestreden besluit
5. Het UWV heeft een loonsanctie opgelegd, omdat eiseres de re-integratieverplichtingen niet is nagekomen. Het UWV heeft zich daarbij gebaseerd op de conclusies van een verzekeringsarts, verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b), arbeidsdeskundige en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b).
5.1.
De verzekeringsarts heeft dossieronderzoek verricht en telefonisch contact gehad met een bedrijfsarts in opleiding van ArboNed die zelf niet betrokken is geweest bij de verzuimbegeleiding van de werknemer. De verzekeringsarts concludeert dat er doorlopend sprake is geweest van een verminderde psychische belastbaarheid. Ten tijde van de stagnatie van het 2e spoor traject rond september 2022 wijst de informatie van de behandelaar niet op zeer ernstige problematiek. Hij ziet daarom geen aanleiding om te concluderen dat er doorlopend geen mogelijkheden zijn geweest om verdere (laagdrempelige) re-integratieactiviteiten te continueren. De verzekeringsarts kan niet volgen dat er sprake is geweest van geen benutbare mogelijkheden (GBM) dan wel zeer marginale mogelijkheden, ook niet op het moment van het Actueel oordeel (23 november 2022).
5.2.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en de werknemer op 10 januari 2024 op het spreekuur gezien en onderzocht. Hij bevestigt de bevindingen van de verzekeringsarts dat er geen medische feiten zijn rondom de periode in geding waaruit kan worden geconcludeerd dat er werd voldaan aan de criteria voor een situatie van GBM. Er waren toen volgens de verzekeringsarts b&b zonder meer beperkingen voor de psychische belasting, maar hiermee kon zeker wel worden gere-integreerd en dit zou juist herstel bevorderend hebben kunnen werken.
5.3.
De arbeidsdeskundige van het UWV heeft geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn geweest. Daarbij heeft hij vastgesteld dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat binnen de eigen organisatie geen structurele herplaatsingsmogelijkheden voor de werknemer bestonden. Het enkel aangeven dat functies niet passend zouden zijn vanwege opleiding, ervaring en capaciteiten acht de arbeidsdeskundige onvoldoende, nu een concrete weging van de belasting van werkzaamheden tegenover de belastbaarheid van de werknemer ontbreekt. Daarnaast is volgens de arbeidsdeskundige niet deugdelijk onderbouwd waarom herplaatsing in functies onder het functieniveau van de werknemer niet mogelijk was. Voorts stelt de arbeidsdeskundige dat er geen sprake is geweest van een adequaat 2e spoor traject, nu hij op grond van de door de bedrijfsarts vastgestelde belastbaarheid het zoekprofiel met geschikte functies niet kon volgen en gedurende het traject geen sollicitatieactiviteiten hebben plaatsgevonden. Volgens de verzekeringsarts ontbreekt bovendien een medische onderbouwing voor de stagnatie van het traject. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat hierdoor mogelijk re-integratiekansen zijn gemist. Tot slot stelt de arbeidsdeskundige dat de door eiseres aangevoerde reden voor de tekortkomingen, dat zij uit is gegaan van de adviezen van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige, geen deugdelijke grond vormt. Daarbij merkt hij op dat eiseres te allen tijde verantwoordelijk blijft voor de verzuimbegeleiding, ook wanneer zij daarbij derden inschakelt.
5.4.
De arbeidsdeskundige b&b ziet in de bezwaargronden geen reden om af te wijken van de conclusies van de primaire arbeidsdeskundige. Er is geen bevredigend re-integratieresultaat en eiseres heeft daarvoor geen deugdelijke grond.
Omvang van het geding
6. Tussen partijen is niet in geschil dat de werknemer ten tijde van de beoordeling van de re-integratie-inspanningen geen structurele arbeid had hervat met een loonwaarde van ten minste 65% van het oorspronkelijke loon en dat daarmee geen sprake was van een bevredigend resultaat. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de re-integratie-inspanningen van eiseres voldoende zijn en, als dat niet geval is, of daarvoor een deugdelijke grond bestond.
Zijn de re-integratie-inspanningen van eiseres voldoende geweest?
7. Het besluit tot oplegging van een loonsanctie is een door het UWV ambtshalve genomen besluit met een voor een werkgever belastend karakter. Gelet hierop is het aan het UWV om aannemelijk te maken dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De verzekeringsarts van het UWV dient in dat kader te toetsen of de werkgever in redelijkheid heeft kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. [2] Daarbij is van belang of de bedrijfsarts op basis van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden in redelijkheid tot zijn sociaal medische handelwijze of zijn oordeel over de belastbaarheid van de werknemer heeft kunnen komen.
8. Eiseres stelt dat het UWV haar oordeel dat eiseres niet voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Zij stelt dat de verzekeringsarts b&b in strijd met de Werkwijzer Poortwachter (Werkwijzer) geen overleg heeft gevoerd met de bedrijfsarts. Eiseres is ook niet op de hoogte gesteld dat de bedrijfsarts niet bereikbaar was. Volgens eiseres kan het telefonisch contact met een collega dit overleg niet vervangen, omdat deze collega niet bij de verzuimbegeleiding betrokken was en bovendien een bedrijfsarts in opleiding was. Deze collega kon slechts aangeven welke informatie het dossier bevatte. De meerwaarde van het gesprek met de behandelend bedrijfsarts is juist dat een nadere toelichting kan worden gegeven vanuit onder meer het persoonlijk en direct contact met de zieke werknemer.
Verder voert eiseres aan dat de verzekeringsarts b&b, nu hij tot een afwijkend oordeel komt, in zijn verzekeringskundige rapportage had moeten motiveren welke argumenten van de bedrijfsarts betrokken zijn en waarom desondanks tot een andere beoordeling wordt gekomen. Volgens eiseres is die motivering niet of onvoldoende kenbaar gemaakt. Daarmee is volgens eiseres sprake van een schending van zowel het zorgvuldigheidsbeginsel als het motiveringsbeginsel.
8.1.
Het UWV stelt dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn geweest. Zij verwijst daarbij naar de rapportages van de verzekeringsarts b&b en arbeidsdeskundige b&b. Volgens het UWV volgt uit deze rapportages dat de bedrijfsarts de belastbaarheid van de werknemer onjuist heeft ingeschat en dat eiseres meer re-integratie-inspanningen had moeten verrichten. Het UWV stelt dat het gegeven dat er geen overleg heeft plaatsgevonden met de oorspronkelijke bedrijfsarts niet maakt dat er sprake is van een onzorgvuldigheid waardoor geen loonsanctie opgelegd zou kunnen worden. Zij ziet geen nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven haar oordeel te wijzigen en acht de beslissing voldoende gemotiveerd.
9. De rechtbank overweegt dat in de Werkwijzer (versie augustus 2022) is vermeld dat deze primair een interne functie heeft en dat door plaatsing op de website van het UWV tevens is beoogd aan werkgevers en werknemers een richtlijn te geven voor de aanpak van re-integratie en hen meer voorspelbaarheid te bieden op de uitkomsten van de toetsing door het UWV. Gelet hierop kan aan de Werkwijzer een zekere externe werking niet worden ontzegd. Aangezien de Werkwijzer immers blijk geeft van een vaste gedragslijn van het UWV, kunnen werkgevers zich er uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelijkheid op beroepen. [3]
9.1.
In hoofdstuk 12 van de Werkwijzer is opgenomen dat de verzekeringsarts altijd in overleg gaat met de bedrijfsarts wanneer hij het niet eens is met de visie van de bedrijfsarts. Tijdens dat overleg deelt de verzekeringsarts zijn visie mee en de argumenten waarom hij die mening heeft. De bedrijfsarts dient in de gelegenheid gesteld te worden om zijn argumenten toe te lichten. Deze argumenten worden meegewogen in de eindconclusie. De uitkomst van dit overleg moet in de verzekeringsgeneeskundige rapportage terug te lezen te zijn.
9.2.
Uit het dossier blijkt dat de verzekeringsarts b&b dossieronderzoek heeft verricht en contact heeft gehad met de arbodienst waar de oorspronkelijke bedrijfsarts werkzaam was. Daarbij is overleg gevoerd met een bedrijfsarts in opleiding, die toegang had tot het medische dossier. Daarbij heeft de bedrijfsarts in opleiding vragen van de verzekeringsarts b&b beantwoord. De verzekeringsarts b&b heeft tijdens dit overleg medegedeeld dat hij kan volgen dat er bij de werknemer doorlopend sprake is geweest van een verminderde psychische belastbaarheid, maar hij geen aanleiding ziet om te concluderen dat er doorlopend geen mogelijkheden zijn geweest om verdere (laagdrempelige) re-integratieactiviteiten te continueren. In de verzekeringsgeneeskundige rapportage is terug te lezen dat de bedrijfsarts in opleiding zich hier in kon vinden.
9.3.
De rechtbank overweegt dat medische informatie in beginsel wordt vastgelegd en beheerd binnen de arbodienst waarbij de bedrijfsarts werkzaam is. In een situatie als de onderhavige mag er daarom van worden uitgegaan dat een bedrijfsarts die binnen die arbodienst werkzaam is en toegang heeft tot het medisch dossier, beschikt over alle voor de verzuimbegeleiding relevante medische informatie. Dat geldt ook indien het gaat om een bedrijfsarts in opleiding. Onder deze omstandigheden mocht het UWV ervan uitgaan dat de beschikbare medische informatie volledig was en heeft het UWV in zoverre ook gehandeld overeenkomstig de Werkwijzer. Dat mogelijk meer medische informatie beschikbaar zou zijn geweest dan door de verzekeringsarts is verkregen, is door eiseres overigens niet geconcretiseerd. Zij heeft niet aangegeven welke specifieke informatie zou ontbreken en waarom die informatie relevant zou zijn voor de beoordeling van de belastbaarheid of de re-integratiemogelijkheden van de werknemer.
9.4.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het UWV voldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Dat geen rechtstreeks overleg heeft plaatsgevonden met de begeleidend bedrijfsarts, maakt dit niet anders. Van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is daarom geen sprake.
9.5.
De rechtbank ziet verder geen reden om aan de conclusies van de verzekeringsarts b&b en de arbeidsdeskundige b&b te twijfelen en oordeelt dat het UWV aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Uit vaste rechtspraak [4] volgt dat van een werkgever gevergd kan worden dat hij (in enige mate) re-integratie-inspanningen verricht, ook als de arbeidsmogelijkheden beperkt worden ingeschat, maar er strikt genomen geen sprake is van een situatie van GBM. Uitgangspunt is dat als er arbeidsmogelijkheden zijn, de werkgever zich moet inspannen voor re-integratie.
9.6.
Vast staat dat gedurende de periode in geding sprake is geweest van verminderde psychische belastbaarheid van de werknemer, maar niet van een situatie van GBM. Mede gelet op de aanwezige informatie van de behandelaar van de werknemer van augustus 2022 was er geen aanleiding om te concluderen dat er toen geen mogelijkheden waren om verdere (laagdrempelige) re-integratieactiviteiten te continueren. Het UWV heeft de stagnatie van dergelijke activiteiten rond september 2022 en het vervolgens niet meer opstarten van enige re-integratie dan ook aan eiseres kunnen tegenwerpen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verzekeringsarts b&b met het rapport van 25 januari 2024 voldoende heeft onderbouwd dat de bedrijfsarts in redelijkheid niet tot zijn sociaal medische handelwijze of zijn oordeel over de belastbaarheid van de werknemer heeft kunnen komen en de bedrijfsarts daarmee de hem toekomende professionele marge heeft overschreden. Al op grond van het voorgaande is de conclusie gerechtvaardigd dat onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarnaast is geen sprake van een motiveringsgebrek, nu de verzekeringsarts in zijn rapport voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij tot een van het oordeel van de bedrijfsarts afwijkende conclusie is gekomen.
9.7.
De rechtbank ziet in wat eiseres op dit punt heeft aangevoerd daarom geen aanleiding te oordelen dat het UWV in dit geval onzorgvuldig heeft gehandeld bij de besluitvorming of dat zij dit besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Deze beroepsgronden slagen niet.
Is sprake van een deugdelijke grond?
10. Eiseres stelt dat, voor zover al sprake zou zijn van tekortkomingen in de re-integratie, deze niet aan haar kunnen worden toegerekend. Zij voert aan dat zij in redelijkheid mocht afgaan op het oordeel van de bedrijfsarts, omdat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat zij had moeten twijfelen aan het advies van de bedrijfsarts. Een eventueel onjuist advies van de bedrijfsarts zou volgens eiseres dan ook niet voor haar rekening en risico moeten komen. Ter onderbouwing van haar standpunt dat de vaste rechtspraak over het voor rekening en risico van de werkgever komen van een onjuist medisch oordeel zou moeten worden genuanceerd, verwijst zij naar het (op 30 mei 2023 ingetrokken) wetsvoorstel om het advies van de bedrijfsarts leidend te maken [5] , het advies van 29 februari 2024 van de onafhankelijke commissie Toekomst arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS) en de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant [6] en rechtbank Amsterdam. [7]
10.1.
Het UWV stelt dat de tekortkomingen wel aan eiseres kunnen worden toegerekend. Zij verwijst hiervoor naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), waaruit de risicoaansprakelijkheid voor werkgevers volgt.
11. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de CRvB [8] de werkgever verantwoordelijk is en blijft voor de re-integratie van zijn werknemer. Dit impliceert eveneens verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de werkzaamheden van de door hem ingeschakelde deskundigen. Indien een werkgever een advies van de bedrijfsarts volgt, dat achteraf onjuist blijkt te zijn, levert dat geen deugdelijke grond op voor onvoldoende re-integratie inspanningen.
11.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor de door eiseres gewenste nuancering van de vaste rechtspraak van de CRvB en betrekt hierbij het volgende.
11.2.
Deze rechtspraak is gebaseerd op het door de wetgever in de wetsgeschiedenis verwoorde uitgangspunt dat de werkgever verantwoordelijk is en blijft voor de re-integratie van de werknemer met inbegrip van de werkzaamheden van degene die hij daarbij inschakelt. [9] De wetgever heeft er dus bewust voor gekozen om een mogelijk onjuist advies van de bedrijfsarts voor rekening en risico van de werkgever te laten en het risico van het onjuiste advies niet te verleggen naar de werknemer met gevolgen voor zijn re-integratie en rechtspositie. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook aan de wetgever om dit uitgangspunt te nuanceren of te verlaten.
11.3.
De rechtbank overweegt dat het wetsvoorstel om het advies van een bedrijfsarts over de belastbaarheid van de werknemer leidend te maken bij de toets op de re-integratie-inspanningen op 30 mei 2023 is ingetrokken in afwachting van het advies van OCTAS. [10] Het advies van OCTAS van 29 februari 2024 heeft (nog) niet geleid tot aanpassing van wetgeving. Bovendien heeft de CRvB ook na het verschijnen van dit advies herhaaldelijk geen aanleiding gezien zijn vaste lijn te verlaten, [11] ook niet met inachtneming van meer recente ontwikkelingen, zoals het voornemen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om het advies van de Bedrijfsarts per 1 januari 2028 leidend te maken. [12]
11.4.
De rechtbank komt tot de slotsom dat het UWV terecht heeft geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn geweest en dat zij daarvoor geen deugdelijke grond heeft. De loonsanctie is daarom terecht aan eiseres opgelegd.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Koek, voorzitter, en mr. S.A.M.L. van de Sande en mr. R.J.H. van der Linden, leden, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 4 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in staat de uitspraak te ondertekenen.
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: wet- en regelgeving

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

Artikel 25
9. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en Pro de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt Pro dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of reïntegratie inspanningen kan herstellen. De verlenging bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken. Indien op het moment van verlenging van het tijdvak, bedoeld in de eerste zin, recht bestaat op verlof op grond van artikel 3:1, van de Wet arbeid en zorg, vangt het verlengde tijdvak aan met ingang van de dag waarop dat verlof eindigt. Indien tijdens het verlengde tijdvak, bedoeld in de eerste zin, recht ontstaat op verlof als bedoeld in de derde zin, wordt het tijdvak onderbroken voor de duur van dat verlof.
Artikel 65
De aanvraag voor een uitkering op grond van deze wet gaat vergezeld van een reïntegratieverslag als bedoeld in artikel 25, derde lid. De eerste zin is niet van toepassing voorzover artikel 26, eerste lid, toepassing vindt. Het UWV beoordeelt of de werkgever en de verzekerde dan wel de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet en de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van die wet, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden in redelijkheid hebben kunnen komen tot de reïntegratie-inspanningen, die zijn verricht.
Beleidsregels beoordelingskader poortwachter
Artikel 1
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij de beoordeling van de door werkgever en werknemer geleverde re-integratie-inspanningen als bedoeld in artikel 65 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, artikel 34a, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, het beoordelingskader zoals vastgelegd in de bijlage bij dit besluit.
Bijlage
Voorafgaande aan de beoordeling van het recht op uitkering verricht het UWV eerst de poortwachterstoets. In dit kader beoordeelt het UWV allereerst of er voldoende re-integratieresultaat is bereikt, en als dat niet zo is of werkgever en werknemer samen gedurende de eerste twee jaar van ziekte voldoende inspanningen hebben verricht om de functionele mogelijkheden zo veel mogelijk te vergroten en de bestaande arbeidsmogelijkheden zo goed mogelijk te kunnen benutten in het eigen bedrijf of bij een ander bedrijf. Na een positief oordeel over de geleverde inspanningen wordt het recht op uitkering beoordeeld; na een negatief oordeel wordt de beoordeling van het recht op uitkering opgeschort en loopt de loondoorbetalingsplicht van de werkgever maximaal
52 weken door (loonsanctie) totdat de vereiste re-integratie-inspanningen hebben plaatsgevonden.
Er is sprake van een bevredigend resultaat wanneer gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die min of meer aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien er geen bevredigend re-integratieresultaat bereikt is maar het UWV de inspanningen van de werkgever op basis van dit beoordelingskader wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Dat is evenmin het geval als het UWV de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft.
Indien het UWV het resultaat niet bevredigend acht, zal bij de beoordeling worden ingezoomd op datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is.
Het UWV zal bij zijn beoordeling aan de volgende aspecten aandacht besteden:
b. Medische aspecten:
  • Heeft de werknemer een naar algemeen medische maatstaven adequate behandeling voor zijn ziekte of gebrek ondergaan?
  • Is nagegaan of door behandeling, training of revalidatie de functionele mogelijkheden kunnen worden vergroot?
  • Is voorzien in adequate begeleiding op weg naar vergroting van de functionele mogelijkheden?
  • Is de beoordeling van de bedrijfsarts met betrekking tot de functionele mogelijkheden van de werknemer ten aanzien van eigen arbeid en eventuele passende, andere arbeid plausibel?
  • Is rekening gehouden met de stand van de wetenschap en de eisen van professionele dienstverlening, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in protocollen en richtlijnen of instructies?
De medische aspecten bij re-integratie betreffen de vaststelling van de mogelijkheden die de werknemer nog heeft ten aanzien van eigen werk en eventuele andere passende arbeid. Deze medische beoordeling dient als uitgangspunt voor de vaststelling van mogelijkheden om de belastbaarheid te vergroten (herstel) en van de re-integratie-inspanningen.
De bedrijfsarts begeleidt de werknemer tijdens ziekte, beoordeelt diens mogelijkheden om te functioneren en adviseert van daaruit over de re-integratie. Het UWV toetst aan het eind van de eerste twee ziektejaren of voldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht en of het resultaat daarvan plausibel is, in aanmerking genomen de functionele mogelijkheden van de werknemer; zonodig wordt de verzekeringsarts daarbij ingeschakeld.
Het is de taak van de bedrijfsarts om de hiervoor geschetste medische beoordeling te verrichten en de werkgever en werknemer te ondersteunen en te adviseren ten behoeve van de verzuimbegeleiding en re-integratie. De bedrijfsarts verricht zijn beoordelende en begeleidende taak aan de hand van de voorgeschreven processtappen tijdens de ziekteperiode. De bedrijfsarts stelt bijvoorbeeld bij dreigende langdurige ziekte een probleemanalyse op en adviseert daarin werkgever en werknemer inzake mogelijke interventies en maatregelen. Voorts verantwoordt de bedrijfsarts het medische handelen en zijn actueel medische oordeel aan het eind van de eerste twee ziektejaren in het medische deel van het re-integratieverslag. Op basis hiervan is de verzekeringsarts in staat om zijn beoordeling van de medische aspecten in het kader van de poortwachterstoets en claimbeoordeling voor de Wet WIA te verrichten.
Werkwijzer Poortwachter (versie 1 augustus 2022)

12. Overleg met en informatie van de bedrijfsarts

12.1
Contactlegging
Wanneer de verzekeringsarts het niet eens is met de visie van de bedrijfsarts, gaat hij altijd in overleg met de bedrijfsarts. Dit overleg is telefonisch.
(…)
Het overleg is gericht op het verkrijgen van inzicht in de motieven en afwegingen van de bedrijfsarts.
Van dit gesprek legt de verzekeringsarts vast:
• de datum, het tijdstip en de naam van de bedrijfsarts die hij gesproken heeft.
• welke afspraken er gemaakt zijn over terugbellen (inclusief de termijn).
12.2
Gespreksinhoud
Vragen die aan de orde kunnen komen zijn conform de vragen op de aandachtspuntenlijst bij verzekeringsgeneeskundige protocollen. Van belang is om dezelfde taal te spreken als het gaat om de functionele mogelijkheden. De verzekeringsarts betrekt hierbij het Inzetbaarheidsprofiel (IZP) als dit is aangeleverd door de bedrijfsarts.
Hoor en wederhoor
Als de verzekeringsarts een andere visie heeft dan de bedrijfsarts, dan deelt hij dat mee in het gesprek en geeft hij argumenten waarom hij die mening heeft. De verzekeringsarts geeft aan wat volgens hem de tekortkomingen waren. Indien nodig geeft hij uitleg over mogelijke consequenties, met name de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever.
De bedrijfsarts dient in de gelegenheid gesteld te worden om zijn argumenten toe te lichten. Deze argumenten worden meegewogen in de eindconclusie. Het is niet noodzakelijk om tot overeenstemming te komen, maar dit kan natuurlijk wel de uitkomst zijn.
12.3
Gespreksinhoud vastleggen
De verzekeringsarts vermeldt in het dossier de argumenten die hij heeft uitgewisseld met de bedrijfsarts, de reactie van de bedrijfsarts op zijn visie en eventuele aanvullende medische informatie die van de bedrijfsarts ontvangen is.
De verzekeringsarts legt de visie van de bedrijfsarts vast en geeft in de rapportage aan wat zijn afweging en conclusie is. Als er een meningsverschil blijft, wordt dit beargumenteerd vastgelegd en beschrijft de verzekeringsarts wat de vervolgstappen zijn. De uitkomst van dit overleg moet in de verzekeringsgeneeskundige rapportage terug te lezen te zijn. In deze situaties wordt de verzekeringsgeneeskundige rapportage spontaan toegestuurd aan de betreffende bedrijfsarts.
12.4
Geen contact
Blijkt de bedrijfsarts niet bereikbaar, dan wordt hierover contact opgenomen met de werkgever. De werkgever is immers ook verantwoordelijk voor het geven van informatie over de verzuimbegeleiding. Hij moet dan ook op de hoogte worden gesteld als de noodzakelijke informatie via de bedrijfsarts niet verkregen kan worden. Mogelijk kan de werkgever er alsnog voor zorgen dat de informatie wordt gegeven.

Voetnoten

1.In het bestreden besluit is vermeld dat dit besluit in de plaats treedt van de besluiten van 23 maart 2023 en 8 februari 2024. Ter zitting heeft het UWV toegelicht dat hiermee is beoogd de schrijffout betreffende de einddatum van de loonsanctie in beide beslissingen te herstellen, maar dat het bestreden besluit uitsluitend in de plaats treedt van de beslissing op bezwaar van 8 februari 2024. Het primaire besluit van 23 maart 2023 blijft voor het overige in stand.
2.Artikel 65 van Pro de WIA, mede gelet op de Beleidsregels Beoordelingskader Poortwachter en de Werkwijzer Poortwachter.
3.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:359.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1138.
5.Kamerstukken II, 2020-2021, 35 589, nr. 3, p. 4.
6.Zie de uitspraak van de rechtbank Oost Brabant van 11 februari 2022 ECLI:NL:RBOBR:2022:415.
7.Zie de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:538.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2216.
9.TK 2004-2005, 29 814, nr. 6, p. 20 en TK 2003-2004, 29 231, nr. 3, p. 16.
10.Kamerstukken II, 2022-2023, 35 589, nr. 11.
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 21 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:95, 22 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1583 en 15 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1507.
12.Brief van 11 juni 2025 van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Kamerstukken II 2024-2025, 26 448, nr. 846. Zie r.o. 5.6 van de uitspraak van de CRvB van 21 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:95.