ECLI:NL:CRVB:2025:1583
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever
In deze zaak staat centraal of het UWV terecht een loonsanctie van 52 weken heeft opgelegd aan de werkgever van een ex-werkneemster wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen vanaf 9 februari 2021. De werkgever betwistte dit en verzocht tevens om bekorting van de loonsanctieperiode.
De feiten tonen aan dat de ex-werkneemster zich in november 2019 ziek meldde na een incident en dat er vanaf februari 2021 sprake was van een belastbaarheid die re-integratie mogelijk maakte. De bedrijfsarts onderschatte deze belastbaarheid en adviseerde onder meer mediation, wat uiteindelijk mislukte. Het UWV stelde vast dat de werkgever onvoldoende inspanningen in het tweede spoor had geleverd en legde daarom de loonsanctie op.
De rechtbank oordeelde dat de werkgever onvoldoende had gedaan en dat het vertrouwen op het advies van de bedrijfsarts voor haar risico kwam. Ook het verzoek tot bekorting van de loonsanctie werd afgewezen omdat de tekortkomingen niet waren hersteld. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en benadrukt dat de werkgever verantwoordelijk blijft voor de kwaliteit van de re-integratie-inspanningen, ook als deze zijn gebaseerd op het advies van de bedrijfsarts.
De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt dat de loonsanctie van 52 weken blijft gelden. Tevens krijgt de werkgever geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: De loonsanctie van 52 weken blijft van kracht en het verzoek tot bekorting wordt afgewezen.