Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3234

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
25/2743 en 25/2744
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 3:12 WaboArt. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 5.20 Bor
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning energiehub met zonneweide en energieopslagsysteem

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van een gemeente om een omgevingsvergunning te verlenen voor de aanleg van een energiehub met een zonneweide, een energieopslagsysteem en bijbehorende installaties op een perceel nabij hun woningen. De rechtbank heeft de beroepen behandeld en verschillende beroepsgronden beoordeeld, waaronder de ontvankelijkheid, participatie, toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking, landschappelijke inpassing, geluid, externe veiligheid, en de Wet natuurbescherming.

De rechtbank oordeelt dat eisers 1 en 3 ontvankelijk zijn op grond van het Verdrag van Aarhus en dat eiser 2 als belanghebbende kan worden aangemerkt vanwege de nabijheid en zicht op het perceel. De participatie en communicatie door het college en vergunninghoudster zijn voldoende gebleken. De rechtbank stelt vast dat het zonnepark geen nieuwe stedelijke ontwikkeling is, waardoor de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. Het college heeft voldoende onderbouwd dat het initiatief in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening, onder meer door een gedegen ruimtelijke onderbouwing en landschappelijke inpassingsplan.

Ten aanzien van geluid en externe veiligheid is het college voldoende gemotiveerd dat er geen onaanvaardbare overlast of risico's zijn. De bezwaren over bomenkap en natuur zijn niet toewijsbaar of stuiten op het relativiteitsvereiste. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit rechtmatig is en verklaart de beroepen ongegrond.

Uitkomst: De beroepen tegen de omgevingsvergunning voor de energiehub worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: 25/2743 en 25/2744
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 april 2026 in de zaken tussen

1.1. [eiser 1] , uit [plaats 1] , eiser 1,

2. [eiser 2] ,uit [plaats 1] , eiser 2,
(gemachtigde: [gemachtigde] );

3.[eiser 3] , uit [plaats 1] , eiser 3,

samen, eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats 3], het college.
Als vergunninghoudster neemt aan de zaak deel:
Lightsource Renewable Energy Netherlands Development B.V.uit Utrecht .
Procesverloop
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 24 april 2025 (bestreden besluit), over het verlenen van een omgevingsvergunning voor de aanleg van een energiehub met een zonneweide, een energie-opslagsysteem en bijbehorende installaties. De omgevingsvergunning ziet op het perceel aan [adres 1] in [plaats 2] (hierna: het perceel).
De rechtbank heeft de beroepen op 11 november 2025 in Middelburg op zitting behandeld. Eiser 1 en 3 waren daarbij aanwezig. Eiser 1 trad ook op als gemachtigde van eiser 2. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger college 1] en [vertegenwoordiger college 2] . Namens vergunninghoudster waren [persoon 1] en [persoon 2] aanwezig. Aan het begin van de zitting heeft de voorzitter medegedeeld dat niet alle geschilpunten besproken zouden worden. Over verschillende geschilpunten had de rechtbank geen vragen, omdat de standpunten van partijen in de schriftelijke stukken helder zijn. Er zal op die standpunten in deze uitspraak gereageerd worden. De rechtbank heeft partijen aan het einde van de zitting de gelegenheid gegeven voor een laatste woord over de beroepen. Eisers hebben daar op zitting gebruik van gemaakt.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting niet gesloten, om het college in de gelegenheid te stellen een schriftelijk advies van de Veiligheidsregio Zeeland te overleggen aan de rechtbank. Het college heeft dat advies op 11 november 2025 overgelegd. De rechtbank heeft eiser 3 een termijn gegeven van twee weken om daarop te reageren. De rechtbank heeft die termijn alleen aan eiser 3 geboden, omdat hij in zijn beroepschrift had aangevoerd dat een energieopslagsysteem een gevaar vormt voor de veiligheid van omwonenden. Eiser 3 heeft daar op 3 december 2025 op gereageerd.
Eiser 1 heeft de rechtbank in een brief van 3 december 2025 medegedeeld dat ten aanzien van de veiligheid geen argumenten waren aangevoerd in zijn beroepschrift, omdat het dossier niet compleet was. In die brief verzoekt hij de rechtbank om alsnog argumenten in een beroepschrift in te kunnen dienen en deze door de rechtbank te laten meewegen in de afweging bij het beoordelen van de vergunningaanvraag.
De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen in een brief van 9 december 2025. Op het beroep is de Crisis- en Herstelwet (Chw) van toepassing. Uit artikel 1.6a van de Chw volgt dat na afloop van de termijn voor het indienen van het beroep geen (nieuwe) beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. De rechtbank is niet gebleken dat eisers 1 en 2 deze beroepsgrond redelijkerwijs niet binnen de beroepstermijn hebben kunnen indienen. In diezelfde brief heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat de rechtbank van oordeel was dat het niet nodig was om de beroepen opnieuw op zitting te behandelen, omdat de rechtbank voldoende informatie had om een uitspraak te doen. In diezelfde brief zijn partijen gewezen op hun recht om op een tweede zitting te worden gehoord. Eisers hebben aangegeven dat zij op een tweede zitting willen worden gehoord.
De rechtbank heeft de beroepen op 19 maart 2026 in Breda verder op zitting behandeld. Eiser 1 en 3 waren daarbij aanwezig. Eiser 1 trad ook op als gemachtigde van eiser 2. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger college 1] en [vertegenwoordiger college 2] . Namens vergunninghoudster waren [persoon 1] en [persoon 2] aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank

1. Feiten

Eiser 1 woont aan [adres 2] en op ongeveer 123 meter van het perceel. Eiser 2 woont aan [adres 3] en op ongeveer 123 meter van het perceel. Eiser 3 woont aan [adres 4] en op ongeveer 200 meter van het perceel.
Vergunninghoudster is voornemens om een energiehub ( [locatie 1] ) te realiseren op het perceel (8,7 hectare), met een zonneweide (met een vermogen van 12 MWp), een energie-opslagsysteem (met een vermogen van 8,78 MW) en bijbehorende installaties. De panelen zullen in Oost-West opstelling worden aangebracht.
Vergunninghoudster heeft daar op 29 december 2023 een omgevingsvergunning voor aangevraagd.
Het college heeft de uniforme openbare voorbereidingsprocedure toegepast. In het kader van die procedure heeft het college op 4 december 2024 een ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage gelegd. Eiser 1 en eiser 3 hebben daar een zienswijze tegen ingediend.
Het college heeft met het bestreden besluit een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten: het bouwen van een bouwwerk en het afwijken van het [bestemmingsplan] ’. Het college heeft toestemming verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Eiser 1 heeft daar namens hemzelf en als gemachtigde namens eiser 2 beroep tegen ingesteld op 4 juni 2025. Uit pagina twee van het digitale beroepschrift blijkt namelijk dat hij het beroep mede namens eiser 2 heeft ingediend. Dat beroep is geregistreerd onder zaaknummer 25/2743. Eiser 3 heeft op dezelfde dag afzonderlijk beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dat beroep is geregistreerd onder zaaknummer 25/2744. Eisers hebben hun beroepsgronden binnen de beroepstermijn ingediend. [1]

2. Wettelijk kader

2.1
Het bestreden besluit is gebaseerd op de Wabo. Die wet is vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing op een besluit op een aanvraag die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. De aanvraag om een omgevingsvergunning is in deze zaak door vergunninghoudster ingediend vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval het oude recht van toepassing blijft. Dit omvat onder andere ook de Chw [2] die op het bestreden besluit van toepassing was, de Wet ruimtelijke ordening (Wro), de Omgevingsverordening Zeeland 2018 (OV 2018) en de Wet natuurbescherming (Wnb).
2.2
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
3. Ontvankelijkheid beroepen
3.1
Het college heeft zich in het verweerschrift van 2 juli 2025 op het standpunt gesteld dat eisers niet aangemerkt kunnen worden als belanghebbende bij het bestreden besluit. Volgens het college ligt tussen de woningen van eisers en het perceel een te grote afstand en is er ook geen zicht vanuit de woningen op het project. Dit standpunt heeft het college in het verweerschrift van 30 oktober 2025 herhaald.
3.2
In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van Pro de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter.
3.3
De rechtbank stelt vast dat het Verdrag van Aarhus van toepassing is op het bestreden besluit [3] en dat eisers 1 en 3 op grond van artikel 3:12, vijfde lid, van de Wabo een zienswijze naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [4] blijkt dat in dergelijke gevallen voor de ontvankelijkheid van het beroepschrift niet relevant is of eisers al dan niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden.
3.4
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat eiser 2 aangemerkt kan worden als belanghebbende bij het bestreden besluit. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium “gevolgen van enige betekenis” van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, wordt in vaste rechtspraak van de Afdeling [5] gekeken naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Die factoren worden zo nodig in onderlinge samenhang bekeken. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser 2 gevolgen van enige betekenis ondervinden van het zonnepark, omdat zijn woning op ongeveer 123 meter van het perceel is gelegen en hij zicht heeft op het perceel. Aan belanghebbenden wordt in omgevingsrechtelijke zaken niet tegengeworpen dat zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht over een ontwerpbesluit. [6]
4. De omgevingsvergunning
4.1
Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van de aanleg van een energiehub op het perceel. De omgevingsvergunning ziet op het bouwen van een bouwwerk en het afwijken van het [bestemmingsplan] ’.
4.2
In dat bestemmingsplan was aan het overgrote deel van het perceel de bestemming ‘Groen’ toegekend. Aan een ander deel van het perceel was de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ toegekend. Op grond van de planregels was een energiehub binnen die bestemmingen niet toegestaan. [7] Het college heeft toestemming verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3, van de Wabo. Volgens het college blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing dat de energiehub op het perceel in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
5. Communicatie en participatie
5.1
Eisers 1 en 2 hebben aangevoerd dat omwonenden geen enkele mogelijkheid is geboden om te participeren in het project. Zij hebben geen enkel voorstel ontvangen ten aanzien van een duurzaamheidsfonds. Obligaties kun je ook bij de bank kopen.
5.2
Eiser 3 heeft aangevoerd dat de communicatie met omwonenden niet professioneel is verlopen. Volgens eiser 3 is er ook bewust voor gekozen om omwonenden slecht te informeren of is sprake van een niet kundige projectontwikkelaar. De eerste informatieavond was vergunninghoudster slecht voorbereid. Het is voor eiser 3 ook niet duidelijk of iets met zijn zorgen is gedaan. Het college heeft onprofessioneel gecommuniceerd, omdat rectificatie op rectificatie voorbijkwam.
5.3
De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken van wet- en regelgeving waarin in het oude recht een participatieverplichting stond opgenomen of waarin stond opgenomen dat omwonenden gelegenheid moest worden geboden om deel te nemen aan een project. De beroepsgronden slagen om die reden al niet.
5.4
De rechtbank is juist van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat vergunninghoudster en het college zich voldoende hebben ingespannen bij het bevorderen van draagvlak en participatie. Uit paragraaf 5.2 van de ruimtelijke onderbouwing en uit het participatielogboek blijkt dat door vergunninghoudster met omwonenden is gecommuniceerd over het initiatief via telefoon, brieven, informatieavonden en keukentafelgesprekken. Daarnaast is de omgevingsvergunning door het college voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Niet is gebleken dat het college niet op de juiste wijze toepassing heeft gegeven aan die procedure. Het ontwerpbesluit heeft van 4 december 2024 tot en met 15 januari 2025 ter inzage gelegen. [8] Er is aan een ieder gelegenheid geboden tot het naar voren brengen van zienswijzen, wat eisers 1 en 3 ook hebben gedaan. Het college heeft deze zienwijzen beantwoord in de Nota beantwoording zienswijzen ‘ [Nota van zienswijzen] ’ (hierna: Nota van zienswijzen). Dat de bekendmaking van het bestreden besluit twee keer is gerectificeerd, leidt niet tot een ander oordeel. Niet is gebleken dat eisers daardoor zijn benadeeld, omdat zij tijdig beroep hebben kunnen instellen.
6. Ladder van duurzame verstedelijking
6.1
Eisers 1 en 2 hebben in het beroepschrift aangevoerd dat het antwoord van het college in de Nota van zienswijzen ‘onder f’ de grootste onzin is die je maar kunt bedenken. In dat deel van de Nota van zienswijzen heeft het college antwoord gegeven op het in de zienswijze door eisers 1 en 2 ingenomen standpunt dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Volgens eisers 1 en 2 is sprake van een stedelijke ontwikkeling, omdat verschillende accupakketten worden geplaatst.
6.2
De rechtbank leest deze beroepsgrond zo dat eisers 1 en 2 hebben beoogd aan te voeren dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), omdat daarin onvoldoende is onderbouwd dat wordt voldaan aan de eisen van de ladder voor duurzame verstedelijking. [9]
6.3
Uit artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3, van de Wabo volgde dat het college een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan op grond van die bepaling uitsluitend kon verlenen indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevatte. De eisen waaraan de ruimtelijke onderbouwing moest voldoen, waren te vinden in artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). In die bepaling stond dat onder andere artikel 3.1.6 van het Bro van overeenkomstige toepassing was op de goede ruimtelijke onderbouwing. Uit het tweede lid van die bepaling volgde:
“de toelichting bij een bestemmingsplan (lees: ruimtelijke onderbouwing) dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.”
6.4
De rechtbank is van oordeel dat het college redelijkerwijs heeft kunnen besluiten dat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet relevant is voor dit initiatief, omdat het zonnepark geen nieuwe stedelijke ontwikkeling is. In het Bro [10] werd verstaan onder ‘stedelijke ontwikkeling’: “
een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit rechtspraak van de Afdeling blijkt dat een zonnepark niet aangemerkt wordt als een stedelijke ontwikkeling. [11] Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat een zonnepark zich bij uitstek niet goed leent om binnen bestaand stedelijk gebied te worden gerealiseerd. De toepasselijkheid van de ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro op een dergelijke voorziening zou daarentegen juist tot gevolg hebben dat het bevoegde bestuursorgaan telkens zou moeten motiveren waarom deze voorziening niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Dit vindt de Afdeling in het licht van het doel en de strekking van de ladder voor duurzame verstedelijking een onlogische consequentie. De rechtbank is van oordeel dat dit redelijkerwijs ook geldt voor een energieopslagsysteem dat onderdeel is van een dergelijk zonnepark.
7. OV 2018
7.1
Eisers 1 en 2 hebben aangevoerd dat in de ruimtelijke onderbouwing bij de beoordeling van artikel 2.9 van de OV 2018 ten onrechte staat opgenomen dat het perceel aangrenzend is aan [gebied] . De Omgevingsvisie 2040 waar het college naar verwijst is van ná de aanvraag.
7.2
In artikel 1.2, eerste lid, van de OV 2018 stond: in deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder een bestemmingsplan mede verstaan een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken. Meer specifiek stond er dat onder ‘bestemmingsplan’ ook een dergelijke omgevingsvergunning moest worden verstaan. De instructieregels voor gemeenten uit hoofdstuk 2 van de OV 2018 waren regels als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Wro. [12] Gelet daarop mocht een omgevingsvergunning niet in strijd met dergelijke instructieregels worden verleend.
7.3
In artikel 2.9 van de OV 2018 stond (voor zover relevant) als uitgangspunt opgenomen dat een opstelling voor zonne-energie in een bestemmingsplan uitsluitend werd toegelaten binnen bestaand stedelijk gebied. In afwijking daarvan kon een opstelling voor zonne-energie ook worden toegelaten buiten bestaand stedelijk gebied. Op of aangrenzend aan een bedrijventerrein was dit toelaatbaar, indien de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt was aan het bedrijventerrein. Daarnaast kon het ook worden toegelaten op of aangrenzend aan gronden die bestemd zijn voor infrastructuur, nutsvoorzieningen, stortplaats, opstellingen voor zonne-energie of een windenergie concentratielocatie.
7.4
De rechtbank is van oordeel dat het college – door te verwijzen naar pagina 14 van de ruimtelijke onderbouwing – voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het initiatief niet in strijd is met artikel 2.9 van de OV 2018. Het initiatief kan volgens die bepaling worden toegelaten, omdat het grenst aan een bedrijventerrein ( [gebied] / [locatie 2] ). Tussen het meest nabijgelegen bedrijf en het perceel ligt een afstand van ongeveer 50 meter, waardoor het college redelijkerwijs heeft kunnen concluderen dat het initiatief grenst aan het bedrijventerrein. Gelet op de omvang van het bedrijventerrein heeft het college ook redelijkerwijs kunnen besluiten dat het zonnepark ruimtelijk ondergeschikt zal zijn aan het bedrijventerrein. Daarnaast kan het initiatief redelijkerwijs worden toegelaten, omdat het grenst aan gronden die bestemd zijn voor opstellingen van zonne-energie of een windenergie concentratielocatie. Het zonnepark wordt namelijk gerealiseerd in het verlengde van een reeds bestaand zonnepark en in de nabijheid van windmolens.
8. Goede ruimtelijke ordening
8.1
Eisers hebben verschillende argumenten aangevoerd die kunnen worden herleid tot het standpunt dat het verlenen van de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. [13] Deze verschillende argumenten van eisers worden hierna afzonderlijk van elkaar beoordeeld. Dit betreft de aspecten landschappelijke inpassing (zie 8.5), de zonneladder (zie 8.6), het concentratiegebied duurzame energie (zie 8.7), geluid (zie 8.8), bomen (zie 8.9), draagvlak (zie 8.10), externe veiligheid (zie 8.11) en bedrijfsvoering (zie 8.12).
8.2
Het college was alleen bevoegd om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3, van de Wabo, wanneer uit een ruimtelijke onderbouwing bleek dat de activiteit niet in strijd was met een goede ruimtelijke ordening. Volgens de wetsgeschiedenis was sprake van een goede ruimtelijke ordening, wanneer zo gunstig mogelijke voorwaarden werden gecreëerd voor het gebruik en de ontwikkeling van een bepaald gebied. Het college diende een belangenafweging te maken van alle betrokken ruimtelijk relevante belangen en diende aan de hand van die belangenafweging vast te stellen wat hij een goede ruimtelijke ordening vond: welke ruimtelijk relevante belangen hij wilde behartigen ten behoeve van een goed woon-, leef- of verblijfsklimaat.
8.3
Bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de aan het college toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen, kwam het college beleidsruimte toe. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit in overeenstemming is met het recht. [14]
8.4
Het college heeft voor de onderbouwing dat het verlenen van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing van 30 oktober 2024.
8.5
Landschappelijke inpassing
8.5.1
Eisers 1 en 2 hebben aangevoerd dat de landschappelijke inpassing onvoldoende zal zijn. Afscherming is onvoldoende gewaarborgd. In de praktijk is de landschappelijke inpassing van de locatie niet haalbaar, omdat het een grote zwarte vlakte is. Het college heeft volgens eisers alleen gesteld, maar niet met wetenschappelijk onderzoek onderbouwd, dat beëindiging van agrarische activiteiten in combinatie met de realisatie van een zonnepark met tussenruimte tussen de panelen bevorderlijk is voor de versterking van de biodiversiteit. Omdat er maar weinig licht bij de grond kan, zal daar niet meer dan gras kunnen groeien. De grond wordt ook niet bewerkt.
8.5.2
In het verweerschrift van 30 oktober 2025 heeft het college aangevoerd dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan deze beroepsgrond. Het relativiteitsvereiste houdt in dat de bestuursrechter slechts van vernietiging kan en moet afzien, indien de geschonden rechtsnorm kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich er op beroept. [15]
De rechtbank overweegt dat de norm van een goede ruimtelijke ordening, voor zover deze ziet op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van een woning, onder meer het belang van bewoners bij behoud en herstel van dit woon- en leefklimaat beschermt. Eisers kunnen tegen een besluit waarvoor de norm van een goede ruimtelijke ordening geldt, opkomen met het oog op hun belang om gevrijwaard te blijven van aantasting van hun woon- en leefomgeving. [16] Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden uitgesloten dat eisers zicht hebben op het perceel. Gelet daarop kan niet worden uitgesloten dat eisers belang hebben bij een goede landschappelijke inpassing als onderdeel van hun woon- en leefklimaat. Het relativiteitsvereiste staat daarom niet kennelijk aan deze beroepsgrond in de weg.
8.5.3
Het college heeft voldoende gemotiveerd dat het initiatief ten aanzien van het aspect ‘landschappelijke inpassing’ in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Uit de ruimtelijke onderbouwing en het [inpassingsplan] ’ van [bedrijf 1] van 8 november 2024 (hierna: inpassingsplan), blijkt dat de energiehub landschappelijk zal worden ingepast en op welke wijze dit wordt uitgevoerd. De ruimtelijke onderbouwing en het landschappelijk inpassingsplan maken deel uit van het bestreden besluit. Uit rechtspraak van de Afdeling [17] leidt de rechtbank af dat de ruimtelijke inpassing op die wijze voldoende gewaarborgd is, omdat het voor derden mogelijk zal zijn om bij het college te verzoeken om bestuursrechtelijke handhaving indien afgeweken wordt van het inpassingsplan. De inpassing van het plangebied is volgens het inpassingplan gericht op twee zaken: de naadloze integratie van duurzame energie en natuurbehoud. Ten behoeve daarvan worden verschillende landschappelijke inpassingsmaatregelen getroffen, waarbij wordt aangesloten op de aanwezige landschapskenmerken en kansen voor natuurontwikkeling. De bestaande houtsingel in het noordoosten van het plangebied wordt bijvoorbeeld uitgebreid met een Zeeuwse haag van 10 meter breed in zuidwestelijke richting. Het struweel is niet alleen bedoeld om het groene karakter van het gebied te versterken, maar ook om actief bij te dragen aan het bevorderen van de biodiversiteit en het versterken van de lokale ecologie. In de ruimtelijke onderbouwing wordt verwezen naar onderzoek van de RUG ‘Ecologie in zonneparken Tussenrapport’ van 27 maart 2024, waaruit blijkt dat een meer ecologische inrichting van zonneparken met ruigere begroeiing en struiken goed is voor de biodiversiteit. Daarnaast kunnen eisers volgens vaste rechtspraak geen aanspraak maken op een blijvend vrij uitzicht vanuit de woning. [18]
8.6
Zonneladder
8.6.1
Eisers 1 en 2 hebben aangevoerd dat niet wordt voldaan aan de zonneladder. Volgens eisers wordt aan de doelstellingen voor 2030 uit de Regionale Energie Strategie (RES) 2.0 voldaan. De energietransitie voor wat betreft [plaats 3] moet ook binnen de bebouwde en geïndustrialiseerde omgeving plaatsvinden. Deze locatie is volledig overbodig, omdat binnen [gebied] nog veel mogelijkheden zijn om zonnepanelen op het dak en de grond neer te leggen. De overeenstemming met de tweede en derde trede van de ladder is ook niet juist, omdat het bestaande [park] op onjuiste gronden is aangelegd.
8.6.2
Eiser 3 heeft in het kader van de zonneladder aangevoerd dat landbouwgrond verloren gaat door het initiatief. Het perceel is tot op de dag van vandaag als landbouwgrond gebruikt. Dat is in strijd met de RES.
8.6.3
In Zeeland is de RES vastgesteld in de versies RES 1.0 (februari 2020) en RES 2.0 (maart 2025). Uit RES 1.0 (p. 65 en 66) blijkt dat 3 TWh (11 PJ) aan hernieuwbare elektriciteit opgewekt moet worden in Zeeland in 2030, om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor 2030 uit het Klimaatakkoord van Parijs (35 TWh en 126 PJ). Dat doel is een tussendoel richting een volledig CO2-neutrale energievoorziening in 2050. Deze doelstellingen kunnen o.a. worden bereikt door zonne-energie. Voor zonne-energie geldt een gezamenlijke doelstelling van 1000 MW in 2030, bij voorkeur op dak en aanvullend met projecten op land/water. Uit RES 2.0 blijkt dat ten aanzien van zonne-energie eind 2023 687 MW (0,54 TWh) is gerealiseerd, waarvan 442 MW (0,35 TWh) op land en 245 MW (0,20 TWh) op dak.
8.6.4
Uit RES 1.0 (pagina 71) blijkt dat voor de realisatie van nieuwe zonneweiden de Zeeuwse zonneladder geldt zoals hierna weergegeven.
8.6.5
De rechtbank is van oordeel dat het college – door te verwijzen naar de ruimtelijke onderbouwing – voldoende heeft gemotiveerd dat het initiatief ten aanzien van het aspect ‘de zonneladder’ in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft gelet op die ruimtelijke onderbouwing, de RES 1.0 en RES 2.0 redelijkerwijs kunnen concluderen dat het zonnepark buiten stedelijk gebied noodzakelijk is om aan de doelstellingen uit het Klimaatakkoord van Parijs te kunnen voldoen. Het college heeft uit RES 1.0 [19] kunnen afleiden dat de realisatie van zonnepanelen op daken onvoldoende zal zijn om de doelstellingen te kunnen behalen. Daarnaast blijkt uit RES 2.0 dat nog meer zonne-energie (313 MW) nodig is om de doelstelling van 1000 MW in 2030 te bereiken. Zelfs al zou die doelstelling inmiddels (bijna) zijn bereikt, wat daar ook van zij, dan is het initiatief nog steeds noodzakelijk voor het bereiken van een volledig CO2-neutrale energievoorziening in 2050. In de ruimtelijke onderbouwing is ook voldoende gemotiveerd dat aan de voorwaarden wordt voldaan die in de zonneladder aan zonneparken buiten stedelijk gebied worden gesteld. Die voorwaarden komen namelijk overeen met de voorwaarden uit artikel 2.9 van de OV 2018. In overweging 7.4 van deze uitspraak heeft de rechtbank al overwogen dat het college redelijkerwijs heeft kunnen concluderen dat het zonnepark grenst aan een bedrijventerrein en bestaande zonneweides en dus in overeenstemming is met artikel 2.9 van de OV 2018.
8.6.6.
Uit stap 3 van de zonneladder blijkt ook dat het toegelaten is om een zonnepark op landbouwgrond te realiseren, zolang aan de daar gestelde voorwaarden wordt voldaan. Dat landbouwgrond verloren kan gaan bij het realiseren van een zonnepark buiten stedelijk gebied, is een afweging die al is gemaakt bij het vaststellen van de zonneladder. Overigens heeft het college redelijkerwijs geen aanleiding hoeven zien voor de conclusie dat zoveel landbouwgrond verloren gaat dat geen sprake meer is van een goede ruimtelijke ordening. In het bestemmingsplan is immers aan het overgrote deel van het perceel de bestemming ‘Groen’ toegekend en aan slechts een klein deel van het perceel ‘Agrarisch met waarden’. Uit het landschappelijk inpassingsplan blijkt dat dit deel van het perceel na de realisatie van de energiehub nog steeds als zodanig kan worden gebruikt. Het wordt immers niet bebouwd. In het ontwerp is dit deel van het perceel met een ‘4’ aangeduid en daar staat bij vermeld: “
Vrij voor agrarisch gebruik”. Een eventuele afname van agrarisch areaal heeft het college daarom redelijkerwijs beperkt kunnen achten.
8.7
Concentratiegebied duurzame energie
8.7.1
Eisers 1 en 2 hebben aangevoerd dat het perceel niet binnen het concentratiegebied voor duurzame energie ( [locatie 2] ) ligt. Dat kan volgens eisers ook niet blijken uit de Omgevingsvisie [plaats 3] 2040, omdat die visie na de aanvraag is vastgesteld.
8.7.2
De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het perceel valt binnen het beleidsmatige concentratiegebied voor duurzame energie. Het college heeft dus voldoende gemotiveerd dat het initiatief ten aanzien van dit aspect in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Uit RES 1.0 (pagina 74) blijkt dat locatiekeuzes voor zon op lokaal niveau worden gemaakt. Daarom hebben gemeenten de ruimte om locatiekeuzes te maken en op een plaatselijke manier in te vullen, passend bij gebiedskenmerken van de streek. De dertien Zeeuwse gemeenten hebben hun eigen ambities en beleid vormgegeven. Op pagina 78 van RES 1.0 staat voor de gemeente [plaats 3] het [locatie 2] als ‘concentratiegebied duurzame energie’ genoemd. Uit de Structuurvisie [plaats 3] 2020 van 7 januari 2010 (pagina 34) blijkt dat het perceel al in 2010 als onderdeel van de [locatie 2] werd aangemerkt. Uit bijlage 1 bij de Omgevingsvisie [plaats 3] 2040 [20] van 19 april 2024 blijkt dat het perceel nog steeds als zodanig wordt aangemerkt. Het college heeft de Omgevingsvisie [plaats 3] 2040 redelijkerwijs bij de besluitvorming kunnen betrekken, om te illustreren dat het perceel al die tijd als onderdeel van de [locatie 2] wordt gezien.
8.8
Geluid
8.8.1
Eisers 1 en 2 hebben ten aanzien van het aspect geluid aangevoerd dat niet is onderbouwd wat de accupakketten voor effect hebben op het geluidsniveau door weerkaatsing van geluid op de zonnepanelen. Als er meervoudig geluid wordt geproduceerd is dat ook hoorbaar. Eisers 1 en 2 missen daarnaast de ruimtelijke onderbouwing in relatie tot het naastgelegen [terrein] . Eiser 3 heeft aangevoerd dat het college een toename van het geluidniveau niet heeft mogen goedkeuren. Bij de RUD Zeeland is bekend dat er momenteel sprake is van een geluidsoverschrijding in het buitengebied rondom [gebied] . Als steeds een toename van 0,6 dB geluid (10%) wordt goedgekeurd met de onderbouwing dat je daar als omwonende niks van merkt, kun je een onbeperkte geluidstoename goedkeuren.
8.8.2
De rechtbank is van oordeel dat het college – door te verwijzen naar de ruimtelijke onderbouwing – voldoende heeft gemotiveerd dat eisers geen onaanvaardbare geluidsoverlast zullen ervaren als gevolg van de energiehub. Gelet daarop heeft het college voldoende gemotiveerd dat het initiatief ten aanzien van het aspect ‘geluid’ in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. In de ruimtelijke onderbouwing wordt verwezen naar het rapport ‘ [rapport] ’ van [b.v.] ) van 4 september 2024. [b.v.] is deskundig op het gebied van geluid. Niet is gebleken dat het onderzoek van deze deskundige naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen. Uit het rapport blijkt dat het geluid vanwege het zonnepark bij de omliggende woningen voldoet aan de grenswaarden uit het oude recht (Activiteitenbesluit milieubeheer). Op pagina 7 van het akoestisch onderzoek blijkt dat de batterijen als geluidsbronnen in het onderzoek zijn meegenomen. Uit het rapport blijkt ook dat het geluid van de provinciale [weg] niet wordt gereflecteerd op de zonnepanelen, omdat de zonnepanelen hier loodrecht op georiënteerd zijn. Het geluid vanwege het zuidelijk gelegen bedrijventerrein kan met maximaal 0,6 dB toenemen. Deze toename van geluid is volgens de deskundige niet hoorbaar en daarom niet als significant aan te merken. Eisers hebben niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken (bijvoorbeeld een contra expertise) onderbouwd dat dit wel hoorbaar is. Gelet op de ligging van het [terrein] ten opzichte van de zonnepanelen, acht de rechtbank verder niet aannemelijk dat het geluid van het [terrein] gereflecteerd wordt op het zonnepark richting eisers.
8.9
Bomen
8.9.1
Eiser 3 heeft aangevoerd dat op het perceel bomen zijn verwijderd. Op Google Maps is te zien dat er hoge bomen stonden. Het college heeft daarom ten onrechte aangegeven dat er geen houtopstanden zijn verwijderd.
8.9.2
Naar het oordeel van de rechtbank valt deze beroepsgrond buiten de omvang van dit geding. Het college schrijft in het verweerschrift van 30 oktober 2025 dat de verwijderde houtopstanden geen deel uitmaken van het projectgebied en ook niet van het grondgebied van de betreffende landeigenaar. Er is daarom niet gebleken van een verband tussen het rooien van houtopstanden en het project waarop het bestreden besluit betrekking heeft. De beroepsgrond zal dus niet worden besproken.
8.1
Draagvlak
8.10.1
Eiser 3 heeft in reactie op paragraaf 2.4 van de ruimtelijke onderbouwing aangevoerd dat niet wordt voldaan aan de randvoorwaarde dat een breed maatschappelijk draagvlak bestaat voor het plan. Tijdens de informatieavonden is duidelijk aangegeven dat niet wordt voldaan aan deze randvoorwaarde.
8.10.2
De rechtbank stelt vast dat er geen wettelijke regel is die bepaalt dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen mogelijk mag worden gemaakt als daarvoor voldoende draagvlak in de omgeving bestaat. De enkele omstandigheid dat voor het project geen maatschappelijk draagvlak zou bestaan, betekent niet dat het project alleen al daarom niet zou zijn voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. [21] Dit betekent dat de beroepsgrond van eiser 3 niet slaagt.
8.10.3
Ten overvloede is de rechtbank van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat vergunninghoudster en het college zich voldoende hebben ingespannen bij het bevorderen van draagvlak. De rechtbank verwijst voor de motivering van dat oordeel naar overweging 5.4 van deze uitspraak.
8.11
Externe veiligheid
8.11.1
Eiser 3 heeft aangevoerd dat een energieopslagsysteem een gevaar is voor de gezondheid van omwonenden. Wanneer iets mis gaat met een batterij kan het leiden tot zeer ernstige gevolgen: een explosie, een niet te blussen brand of het vrijkomen van toxische gassen. In de ruimtelijke onderbouwing staat niet dat er geen gevaar is voor omwonenden, maar dat er maar weinig mensen wonen die risico lopen. Gelet op deze risico’s moet worden gekozen voor een andere locatie. De schijn wordt gewekt dat de blusvoorzieningen voldoende zouden zijn om een energieopslagsysteem te blussen, maar iedereen weet dat brand in een energieopslagsysteem niet snel geblust kan worden. De richtlijnen van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) zijn bedoeld voor branden die van buitenaf ontstaan en niet voor branden die van binnenuit ontstaan. Eiser 3 heeft verder aangevoerd dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met een oorlog (met Rusland) in de toekomst. Het is een gegeven dat in Oekraïne vrijwel dagelijks raket- of droneaanvallen plaatsvinden om het energienetwerk te vernietigen. Mocht het ooit zover komen dat Nederland in een dergelijk conflict betrokken raakt, dan leent de gekozen locatie zich goed voor dergelijke aanvallen. De locatie ligt ook in de buurt van een radar verstorend windmolenpark.
8.11.2
De rechtbank heeft het onderzoek op zitting niet gesloten, om het college in de gelegenheid te stellen een schriftelijk advies van de Veiligheidsregio Zeeland te overleggen aan de rechtbank. Het college heeft dat advies op 11 november 2025 overgelegd. De rechtbank heeft eiser 3 een termijn gegeven van twee weken om daarop te reageren. De rechtbank heeft die termijn alleen aan eiser 3 geboden, omdat hij in zijn beroepschrift had aangevoerd dat een energieopslagsysteem een gevaar vormt voor de veiligheid van omwonenden. Eiser 3 heeft daar op 3 december 2025 op gereageerd. De rechtbank heeft uitsluitend die reactie meegenomen bij de beoordeling, voor zover daarin wordt gereageerd op het advies van de Veiligheidsregio Zeeland.
8.11.3
Eiser 3 heeft in de reactie van 3 december 2025 vooropgesteld dat het niet duidelijk is of het advies ziet op het vergunde plan. Volgens eiser 3 is onvoldoende in kaart gebracht wat de risico’s zijn. Uit het advies blijkt bijvoorbeeld niet met welke oriëntatiewaarde rekening is gehouden en of berekeningen zijn gemaakt met betrekking tot de plaatsgebonden risico’s. Volgens hem is ook niet duidelijk of de zonnepanelen wel onder de hoogspanningsmasten geplaatst mogen worden. Ook is onvoldoende onderzoek verricht naar het neerslaan van verbrandingsproducten en onverbrande resten in de omgeving als gevolg van brand waarbij zonnepanelen zijn betrokken (depositie). Volgens eiser 3 ontbreekt ook een positief advies dat in paragraaf 4.6.2.1 van de ruimtelijke onderbouwing wordt genoemd.
8.11.4
De rechtbank is van oordeel dat het college – door te verwijzen naar de ruimtelijke onderbouwing – voldoende heeft gemotiveerd dat risico’s op het gebied van externe veiligheid en brandveiligheid bij het initiatief als beheersbaar en aanvaardbaar kunnen worden beschouwd. Gelet daarop heeft het college voldoende gemotiveerd dat het initiatief ten aanzien van het aspect ‘externe veiligheid’ redelijkerwijs in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening. In de ruimtelijke onderbouwing wordt verwezen naar een (schriftelijk) advies van de Veiligheidsregio van 13 februari 2024. Op verzoek van de rechtbank heeft het college dat advies overgelegd. Hierin wordt ingegaan op de omgevings- en brandveiligheid en wordt geadviseerd om verschillende maatregelen te treffen met betrekking tot de bereikbaarheid, opstelplaatsen en bluswatervoorzieningen. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt en op zitting is door vergunninghoudster voldoende toegelicht, dat het advies heeft geleid tot een wijziging van het oorspronkelijke plan. De geadviseerde maatregelen zijn verwerkt in de technische tekeningen die onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning. De plaats en omvang van het energie-opslagsysteem zijn bijvoorbeeld gewijzigd. Deze gewijzigde versie van het oorspronkelijke plan is vervolgens ter inzage gelegd op 4 december 2024, en dat is ook het plan dat door het college is beoordeeld en waarvoor toestemming is verleend. Van de door eiser 3 gestelde tegenstrijdigheid is de rechtbank niet gebleken. Voor het energieopslagsysteem wordt daarnaast gebruik gemaakt van lithium-ion accu’s. Voor deze accu’s is de PGS-37-1 in december 2023 definitief vastgesteld. Deze richtlijn heeft specifiek betrekking op (het gebruik van) energieopslagsystemen. In de ruimtelijke onderbouwing is uiteengezet dat het initiatief voldoet aan deze richtlijn. Vergunninghoudster heeft op zitting ook toegelicht zelf een groot belang te hebben bij het nakomen van de richtlijn, om risico’s voor de veiligheid te voorkomen en omdat de verzekering dat eist. Daarnaast zijn er geen aanwijzingen dat het havengebied van [plaats 3] met de komst van het voorliggende project een (verhoogd) risico vormt voor raket- of droneaanvallen vanuit Rusland.
8.12
Bedrijfsvoering
8.12.1
Eiser 3 heeft aangevoerd dat het college onvoldoende heeft onderzocht welke gevolgen het initiatief zal hebben voor zijn agrarische bedrijfsvoering (akkerbouwpercelen). Er wordt een houtsingel en bloem- en kruidenrijk grasland aangelegd. Dit versterkt de lokale ecologie en bevordert de biodiversiteit. Er komen meer insecten, vlinders, muizen en vogels. Eiser 3 vreest dat dit tot meer wildschade op zijn akkerbouwpercelen zal leiden. Daarnaast vreest eiser 3 dat natuurontwikkeling zal leiden tot problemen met zijn bedrijfsvoering.
8.12.2
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat wildschade zal ontstaan bij het bedrijf van eiser 3. In de Nota van zienswijzen schrijft het college dat het ecosysteem op het perceel wordt bevorderd, maar dat dit geen betrekking heeft op omliggende agrarische gronden. Het college heeft – gelet op de afstand tussen het bedrijf en het perceel – redelijkerwijs geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat de natuurontwikkeling zal leiden tot problemen voor de bedrijfsvoering van eiser 3. Het college heeft dit standpunt in beroep nader gemotiveerd door middel van de memo ‘Realisatie landschappelijke inpassing zonneweide [plaats 2] en gevolgen voor extra wildschade’ van [bedrijf 2] . De rechtbank acht [bedrijf 2] deskundig op het gebied van ecologie. Niet is gebleken dat het onderzoek van de deskundige naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen. In dat onderzoek wordt geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat de realisatie van de zonneweide met landschappelijke inpassing zal leiden tot meer of een ander schadepatroon. Evenmin zal het leiden tot belangrijke schade bij omliggende (akkerbouw)percelen.
9. Wet natuurbescherming
9.1
Eiser 3 heeft aangevoerd dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van vogelsoorten in het gebied. Uit de ‘Quickscan Wet natuurbescherming’ van [bedrijf 3] van 29 november 2023 blijkt ten onrechte dat de aanwezigheid van de huismus, kerkuil, steenuil, gierzwaluw, roek, grote gele kwikstaart, ooievaar, slechtvalk, wespendief en zwarte wouw in het gebied kunnen worden uitgesloten. In de buurt komen volgens eiser 3 wel degelijk vogels van die lijst voor. De Quickscan is gebaseerd op aannames. Omdat alle hoge bomen in de buurt zijn verwijderd, is het ook niet meer te onderzoeken of daar vogelnesten in zaten.
9.2
De rechtbank is van oordeel dat het relativiteitsvereiste [22] aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond in de weg staat. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.
9.3
De bepalingen in de Wnb over de bescherming van soorten strekken tot bescherming van plant- en diersoorten. Onder omstandigheden kan worden aangenomen dat het belang van een persoon zodanig verweven is met het algemene belang dat een rechtsnorm beoogt te beschermen, dat niet kan worden gezegd dat de rechtsnorm kennelijk niet beoogt het belang van deze persoon (mede) te beschermen. Als een natuurlijk persoon zich beroept op de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van plant- en diersoorten beroept hij zich op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen. Niet in alle gevallen behoeft echter op voorhand uitgesloten te worden geacht dat de Wnb met de bescherming van plant- en diersoorten ook bescherming biedt aan het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe woon- en leefomgeving van natuurlijke personen. De belangen van omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe woon- en leefomgeving kunnen zo verweven zijn met het algemeen belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Indien een persoon zich beroept op schending van de bepalingen in de Wnb over de bescherming van soorten in verband met de aanwezigheid van een beschermde soort in het plangebied, ontbreekt verwevenheid met dat belang, wanneer het belang van die persoon is gelegen in diens bedrijfseconomische belangen, waaronder diens concurrentiebelang en het belang bij het voortzetten van de bedrijfsactiviteiten en de door deze persoon ontplooide bedrijfsactiviteiten niet worden beïnvloed door de instandhouding van een populatie binnen het plangebied. [23]
9.4
Naar het oordeel van de rechtbank is het belang van eiser 3 bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving niet zodanig verweven met het algemeen belang dat de Wnb beoogt te beschermen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het belang van het akkerbouwbedrijf van eiser 3 niet wordt beïnvloed door de instandhouding van een populatie binnen het plangebied. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat er een afstand van ongeveer 200 meter is gelegen tussen de woning van eiser 3 en het perceel. Daarnaast bevinden zich daartussen bomenrijen en de provinciale [weg] . Onder die omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat de diersoorten op en rondom het perceel onderdeel uitmaken van het woon- en leefomgeving van eiser 3 dan wel invloed hebben op de bedrijfsactiviteiten van eiser 3.
10. Conclusie
10.1
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de beroepen ongegrond verklaren.
10.2
Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding.
De beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzitter, mr. A.M.L.E. Ides Peeters, en mr. S.C.S. van Bree, leden, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 20 april 2026 en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Wettelijk kader
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 8:69a van de Awb
De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.
Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of,
in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Besluit omgevingsrecht (Bor)
Artikel 5.20 van het Bor
Voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet zijn de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing.
Besluit ruimtelijke ordening (Bro)
Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Omgevingsverordening Zeeland 2018 (OV 2018)
Artikel 2.9 van de OV 2018
In een bestemmingsplan wordt een opstelling voor zonne-energie uitsluitend toegelaten binnen bestaand stedelijk gebied
In afwijking van het eerste lid kan een opstelling voor zonne-energie worden toegelaten buiten bestaand stedelijk gebied:
aangrenzend aan bestaand stedelijk gebied indien de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan het aangrenzende bestaand stedelijk gebied;
op of aangrenzend aan een bouwvlak, mits de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan het aangrenzende bouwvlak;
op of aangrenzend aan een bedrijventerrein indien de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan het bedrijventerrein;
op of aangrenzend aan gronden waarop glastuinbouwbedrijven zijn toegelaten indien de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan de glastuinbouwbedrijven;
op of aangrenzend aan gronden die bestemd zijn voor infrastructuur, nutsvoorzieningen, stortplaats, opstellingen voor zonne-energie of een windenergie concentratielocatie;
op gronden die bestemd zijn voor water indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat er geen significant nadelige effecten zijn voor natuur, recreatie of visserij
In de toelichting bij het bestemmingsplan waarin een opstelling voor zonne-energie wordt toegelaten buiten bestaand stedelijk gebied wordt aannemelijk gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een bestemmingsplan, een opstelling voor zonne-energie reeds is toegelaten met dien verstande dat de afwijking van de bepalingen van deze gronden niet mag worden vergroot.
Bestemmingsplan Zeehaven- en industrieterrein Sloe 2018
Artikel 3.1 van de planregels
De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
de bedrijfsvoering van grondgebonden agrarische bedrijven;
de bescherming en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke waarden in de vorm van behoud van de kenmerkende openheid, beplantingspatroon, verkavelingspatroon, reliëf en bebouwingspatroon;
bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen en water, inclusief natuurvriendelijke oevers, nutsvoorzieningen paden, verhardingen, wegen, en parkeervoorzieningen.
Artikel 5.1 van de planregels
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
plantsoen, bermstroken, paden, waterhuishoudkundige voorzieningen, straatmeubilair, abri's, afvalverzamelvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbaar nut, geluidwerende voorzieningen en andere tot de bestemming behorende groenvoorzieningen;
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zonnepark': tevens een zonnepark.

Voetnoten

1.Artikel 6:7 in Pro samenhang met artikel 6:8, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uitgaande van een terinzagelegging van 22 mei 2025, liep de beroepstermijn tot uiterlijk 3 juli 2025. Zie ook: artikel 1.6a, van de Chw.
2.Artikel 1.1, eerste lid, onder a, van de Chw in samenhang met 1.1 van bijlage 1 bij de Chw.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, r.o. 4.8 en 4.9.
4.ABRvS 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, r.o. 4.7.
5.ABRvS 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1087, r.o. 4.2.
6.Artikel 6:13 van Pro de Awb en ABRvS 10 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1838, r.o. 3.1.
7.Artikel 5.1 en artikel 3.1 van de planregels.
8.Gemeenteblad 2024, 509087.
9.Artikel 8:69, tweede lid, van de Awb.
10.Artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro.
11.ABRvS 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:178, r.o. 4.3 en ABRvS 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1994, r.o. 10.2.
12.Zie ook: ABRvS 31 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3034, r.o. 6.
13.Artikel 8:69, tweede lid, van de Awb.
14.ABRvS 10 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:47, r.o. 7.
15.Artikel 8:69a, van de Awb. Zie ook: ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 4.5.
16.ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 10.5.
17.ABRvS 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4061, r.o. 3 en 3.1.
18.ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1290, r.o. 18.4.
19.Bijvoorbeeld uit pagina 66 en 70.
20.Gemeenteblad 2024, 172500.
21.ABRvS 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5417, 14.1 en ABRvS 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1994, r.o. 8.2.
22.Artikel 8:69a van de Awb.
23.ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 7.1, 10.66 en 10.68 en ABRvS 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:415, r.o. 6.3.