Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3311

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
25/2528
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.2 WaterschapsverordeningArt. 3.20 WaterschapsverordeningArt. 6.1 WaterschapsverordeningArt. 3.3 KeurArt. 3.7 Keur 2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Last onder dwangsom wegens onbevoegde beweiding waterkering met runderen

Eiser exploiteert een boerderij met agrarische percelen waarop hij runderen laat grazen. Het waterschap Brabantse Delta legde een last onder dwangsom op omdat het beweiden van de waterkering met runderen zonder vergunning is verboden volgens de Waterschapsverordening 2024. Eiser voerde aan dat het beweiden extensief is en geen schade veroorzaakt, dat het handhavend optreden onevenredig is en dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat op andere percelen met varkens en kippen niet wordt gehandhaafd.

De rechtbank stelde vast dat een deel van de percelen binnen de beschermingszone A valt waar beweiding zonder vergunning is toegestaan, maar het grootste deel binnen de waterkering zelf ligt waar beweiding met runderen verboden is. Het waterschap toonde aan dat beweiding met runderen schade aan de grasmat veroorzaakt, wat de stabiliteit van de waterkering bedreigt. De rechtbank oordeelde dat het algemene belang van waterveiligheid zwaarder weegt dan het belang van eiser bij beweiding en dat er geen sprake is van een bijzonder geval om van handhaving af te zien.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat het andere perceel zich op een compartimenteringskering bevindt waar andere regels gelden. Ook het beroep op overgangsrecht werd verworpen omdat eiser onvoldoende bewijs leverde dat het gebruik rechtmatig was voor de inwerkingtreding van de verordening. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de last onder dwangsom.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de last onder dwangsom en verklaart het beroep van eiser ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2528
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. T.F.M. Wijgergans),
en
Het dagelijks bestuur van waterschap Brabantse Delta,(waterschap), verweerder
(gemachtigden: mr. S.G. van Oort en mr. L.A. Sluiter
).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser opgelegde last onder dwangsom, omdat de waterkering op zijn percelen (zonder vergunning) wordt beweid met runderen. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het waterschap de last onder dwangsom op goede gronden aan eiser heeft opgelegd.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het waterschap de last onder dwangsom op goede gronden aan eiser heeft opgelegd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Met een besluit van 27 september 2024 heeft het waterschap een last onder dwangsom opgelegd aan eiser wegens overtreding van de regels van de Waterschapsverordening waterschap Brabantse Delta 2024 (hierna: de Waterschapsverordening). Met het bestreden besluit van 20 maart 2025 op het bezwaar van eiser is het waterschap gedeeltelijk bij dat besluit gebleven.
2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2. De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde en de gemachtigden van het waterschap.
2.3. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om het waterschap in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel. De reactie van het waterschap is op 26 januari 2026 door de rechtbank ontvangen. Op 17 februari 2026 heeft de rechtbank de reactie hierop van eiser ontvangen.
2.4. Op 25 maart 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser exploiteert een (vlees-)boerderij in [plaats] , met een boerderijwinkel. Eiser heeft diverse agrarische percelen in eigendom aan [adres] in [plaatsen] (kadastrale aanduidingen [kadastrale aanduiding 1] , [kadastrale aanduiding 2] , [kadastrale aanduiding 3] , [kadastrale aanduiding 4] , [kadastrale aanduiding 5] , [kadastrale aanduiding 6] , [kadastrale aanduiding 7] en [kadastrale aanduiding 8] ). Eiser heeft een groep van (ongeveer) acht runderen op de percelen lopen.
3.1. De percelen van eiser bevinden zich gedeeltelijk op een regionale kering (langs de regionale [rivier] ) en zijn gelegen op het buitentalud van de kering. Op grond van de leggerkaart geldt voor een gedeelte van deze percelen van eiser de aanduiding ‘beschermingszone A waterkering’ (een strook van ongeveer 7 meter breed) en voor een gedeelte de aanduiding ‘Waterstaatwerk waterkering langs regionale rivieren’ (een strook van ongeveer 15 meter breed). De runderen op de percelen hebben onbelemmerd toegang tot de waterkering.
3.2. Op 28 juni 2023 heeft een controle plaatsgevonden door een toezichthouder van het waterschap. De toezichthouder heeft geconstateerd dat er grote hoefdieren aanwezig waren op percelen [kadastrale aanduiding 7] , [kadastrale aanduiding 6] en [kadastrale aanduiding 3] en dat ze op de waterkering stonden.
3.3. Naar aanleiding hiervan heeft eiser een waarschuwingsbrief gedateerd 14 juli 2023 ontvangen. In deze brief wordt eiser gewezen op het begrazingsverbod dat geldt op grond van artikel 3.3 van de Keur en vraagt het waterschap eiser het grootvee van de waterkering te halen en daarna het talud en de grasmat te herstellen.
3.4. Op 7 september 2023 heeft opnieuw een controle plaatsgevonden door een toezichthouder van het waterschap. Geconstateerd werd dat er grote hoefdieren aanwezig waren op perceel [kadastrale aanduiding 8] en dat ze op de waterkering stonden.
3.5. Naar aanleiding hiervan heeft het waterschap bij brief van 10 oktober 2023 aan eiser meegedeeld dat het voornemens is tot het opleggen van een last onder dwangsom. Eiser dient vóór 1 januari 2024 (1) het grootvee van de waterkering te halen en (2) de beschadigde grasmat te herstellen, en daarmee de overtreding van artikel 3.3 lid 1 van de Keur te beëindigen. Op dit voornemen is geen zienswijze ontvangen.
3.6. Op 24 juni 2024 heeft opnieuw een controle plaatsgevonden door een toezichthouder van het waterschap. Geconstateerd werd dat er grootvee aanwezig was op de percelen [kadastrale aanduiding 4] en [kadastrale aanduiding 8] en dat ze op de waterkering stonden.
3.7. Naar aanleiding hiervan heeft het waterschap bij brief van 8 juli 2024 opnieuw aan eiser meegedeeld dat het voornemens is tot het opleggen van een last onder dwangsom. Eiser dient vóór 23 juli 2024 (1) het grootvee van de waterkering te halen en (2) de beschadigde talud en grasmat te herstellen, en daarmee de overtreding van artikel 3.2 lid 1 van de Waterschapsverordening te beëindigen.
3.8. Eiser heeft op 9 augustus 2024 een zienswijze ingediend.
3.9. Op 21 augustus 2024 heeft opnieuw een controle plaatsgevonden door een toezichthouder van het waterschap. Geconstateerd werd op het perceel [kadastrale aanduiding 1] dat de grasmat rondom de waterbak dood was, dat er stukken zonder grasmat waren en dat er vier koeien in de wei liepen.
3.10. Met een besluit van 27 september 2024 (primaire besluit) heeft het waterschap, onder weerlegging van de zienswijze, een last onder dwangsom opgelegd aan eiser.
Het waterschap overweegt daartoe dat eiser de waterkering beweidt met runderen. Het beweiden van de kering met runderen is volgens het waterschap in strijd met artikel 3.2 eerste lid van de Waterschapsverordening (het verbod) gelezen in samenhang met artikel 3.20 van die verordening. Dit laatste artikel bevat een gedeeltelijke vrijstelling van het verbod. Het beweiden van de beschermingszone A is vrijgesteld, maar het beweiden van het waterkeringsgedeelte met andere dieren dan schapen en geiten is verboden, aldus het waterschap.
Het waterschap heeft eiser gelast:
de dieren vóór 1 oktober 2024 van de waterkering te verwijderen en verwijderd te houden en daarmee de overtreding van artikel 3.2 lid 1 van de Waterschapsverordening te beëindigen;
het talud en de grasmat van de waterkering vóór 1 mei 2025 te herstellen en daarmee de overtreding van artikel 3.2 lid 1 van de Waterschapsverordening te beëindigen.
Indien niet of niet tijdig aan de lastgevingen wordt voldaan verbeurt eiser € 500,- per overtreding met een maximum van € 2.500,-, met dien verstande dat per week maximaal één keer de dwangsom wordt verbeurd. Als het maximum is bereikt, wordt de dwangsom verhoogd naar € 1.000,- per overtreding per week, met een maximum van € 5.000,-.
3.11. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3.12. Op 11 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de commissie bezwaarschriften waterschap Brabantse Delta (de commissie).
3.13. In een advies van 13 februari 2025 heeft de commissie het waterschap geadviseerd het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen voor zover het betreft de tweede last om het talud en de grasmat van de waterkering te herstellen. Reden daarvoor is dat volgens de commissie niet vast is komen te staan dat er daadwerkelijk sprake is van schade aan de grasmat van de waterkering.
3.14. Met het bestreden besluit heeft het waterschap, conform het advies van de commissie, besloten het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft het de tweede last laten vervallen. Voor het overige is het besluit in stand gelaten.
Beroepsgronden
4. Eiser stelt dat de opgelegde last onder dwangsom in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Daartoe voert eiser aan dat sprake is van zeer extensief beweiden en dat vast staat dat van beschadiging van de grasmat/het talud geen sprake is. Eiser wijst erop dat dit in het bestreden besluit door het waterschap wordt erkend en dat de last die strekte tot herstel van de grasmat om die reden ook is ingetrokken. Met het beweiden wordt de waterkering beheerd en wordt voorkomen dat onkruid ontstaat (bijvoorbeeld distels) en dat komt de instandhouding van de waterkering juist ten goede. Het machinaal onderhoud dat in opdracht van het waterschap door aannemers wordt verricht met zwaar materieel leidt volgens eiser tot meer schade.
4.1. Eiser stelt daarnaast dat handhavend optreden in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe voert eiser aan dat de waterkering ook op andere percelen wordt beweid, zonder dat daartegen handhavend wordt opgetreden. Meer specifiek wijst eiser op [perceel] , dat volgens hem wordt beweid met varkens en kippen.
4.2. Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat gelet op het overgangsrecht in de Waterschapsverordening geen sprake is van een overtreding. Nu hij de percelen reeds geruime tijd voor de inwerkingtreding van de Waterschapsverordening gebruikte voor extensieve beweiding van runderen mag dat gebruik volgens eiser worden voortgezet.
Beoordeling door de rechtbank
Is sprake van een overtreding?
5. De rechtbank overweegt dat het op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Waterschapsverordening, gelezen in combinatie met artikel 3.20 van de Waterschapsverordening, verboden is om de waterkering te beweiden met runderen. Voor ‘beschermingszone A’ geldt dat daar op grond van artikel 3.20 van de Waterschapsverordening vrije beweiding (zonder vergunning) wel is toegestaan.
6. Ter zitting heeft de rechtbank aan de hand van afbeeldingen uit de leggerkaart in het dossier met partijen vastgesteld dat een gedeelte van de percelen van eiser de aanduiding ‘beschermingszone A waterkering’ heeft en een (groter) gedeelte de aanduiding ‘Waterstaatwerk waterkering langs regionale rivieren’ heeft. Niet in geschil is dat de runderen van eiser op de percelen onbelemmerd toegang hebben tot het gedeelte van de waterkering. De rechtbank stelt dus vast dat sprake is van een overtreding van voormeld verbod in de Waterschapsverordening.
Beginselplicht tot handhaving
7. Als sprake is van een overtreding geldt de beginselplicht tot handhaving. Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025 [1] geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak [2] . Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
7.1. Het waterschap stelt zich op het standpunt dat op basis van de beleidsregels geen vergunning kan worden verleend voor het beweiden van de waterkering met runderen. Van concreet zicht op legalisatie is naar het oordeel van de rechtbank dus geen sprake.
Is sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel?
8. Eiser heeft gesteld dat handhavend optreden in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
8.1. Het waterschap heeft in reactie daarop het algemeen belang dat is gediend met handhaving als volgt toegelicht.
Het waterschap is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van regionale keringen. Waterkeringen moeten worden beheerd om te zorgen dat ze stabiel blijven en het water tegenhouden. Een regionale waterkering dient te voldoen aan de vastgestelde normen en daarvan afgeleide eisen zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Noord-Brabant om als veilige kering te kunnen worden beschouwd. In de legger zijn de ligging, de afmetingen van waterkeringen alsmede de beschermingszones opgenomen zoals die volgens de normen zouden moeten zijn. Beheer en onderhoud zijn op deze manier geborgd voor het waarmaken van de bestuurlijke verantwoordelijkheid van het waterschap. Een groot deel van de regionale waterkeringen is niet in eigendom van het waterschap. De onderhoudsverplichting ligt hierdoor deels buiten het waterschap. Het waterschap moet hierop toezien middels controles en handhaving. Om te kunnen voldoen aan die beheertaak zijn beleidsregels opgesteld ten aanzien van de waterkeringen. [3]
Uit de beleidsregels volgt dat voor de sterkte, stabiliteit en veiligheid van keringen een goede grasmat op taluds en de kruin van de kering van essentieel belang is. Een goede grasmat is immers in staat een aanzienlijke golfbelasting te weerstaan en vormt daarmee een belangrijk onderdeel van de sterkte van de waterkering. De sterkte van de grasmat wordt bepaald door de soortendiversiteit, een goede en diepe doorworteling en het ontbreken van
kale plekken. Een goede, diepe doorworteling van het gras en een gesloten grasmat voorkomen dat bij hoogwater klei en vervolgens het onderliggende zand kunnen wegspoelen. Het wegspoelen van klei en zand zorgt voor instabiliteit van de kering, met mogelijk het bezwijken van de kering en overstroming tot gevolg. Dit is met name van belang op het buitentalud van de kering, omdat daar in de eerste plaats klei en zand
kunnen wegspoelen bij hoogwater. Wanneer dus op de taluds van een waterkering geen goede gesloten grasmat aanwezig is, zullen de erosiebestendigheid en stabiliteit van de kering in het gedrang komen. Dit vergroot de kans dat de waterkering zal bezwijken bij stroming en golfslag. Vandaar dat beweiding van de kering met dieren niet is toegestaan en er een totaalverbod geldt van beweiding van de kering met dieren. Beweiding met dieren is dermate schadelijk voor de grasmat dat een goede staat van de grasmat en de instandhouding van het dijkprofiel niet valt te garanderen.
Bij het beweiden met runderen is de kans nog groter dat er schade ontstaat aan de grasmat. Dit komt met name door het gewicht, gemiddeld zo’n 750 kilo, en de hoeven van deze dieren. Runderen zorgen daarmee voor een te grote belasting van de grasmat. Door begrazing met runderen ontstaat spoorvorming en treedt vertrapping en verruiging van de grasmat op. De hoeven van runderen beschadigen de grasmat en er ontstaan kale plekken in de grasmat. Kale plekken in de grasmat zullen vooral aanwezig zijn op de plekken
waar de runderen vaak lopen, bij bijvoorbeeld drinkbakken en op de minder steile delen van het talud.
Het waterschap voert ook nog aan dat vanwege de beweiding met runderen bodemverdichting optreedt, door het gewicht en de grootte van de hoeven van de dieren. Daardoor kan hemelwater niet meer goed de bodem intrekken en ontstaat plasvorming. Indien beweiding bij plasvorming blijft plaatsvinden, wordt de grasmat steeds verder kapotgelopen. Dit heeft een negatieve invloed op de erosiebestendigheid van de grasmat en uiteindelijk de stabiliteit van de kering, aldus het waterschap.
8.2. Ten aanzien van de stelling van eiser dat sprake is van extensief beweiden voert het waterschap aan dat ook extensief beweiden met runderen op termijn voor schade aan de grasmat zorgt. Na verloop van tijd ontstaan loopsporen en kale plekken in de grasmat op de plaatsen waar de runderen vaak komen. Het waterschap verwijst naar een foto in het dossier waarop spoorvorming en een beschadigde grasmat is te zien als gevolg van het beweiden met runderen en naar foto’s achter het constateringsrapport van 21 augustus 2024 waarop te zien is dat de grasmat rondom de drinkbak is vertrapt. De omstandigheid dat de grasmat ten tijde van de hoorzitting in goede staat verkeerde betekent volgens het waterschap niet dat de goede staat van de grasmat gegarandeerd is. Blijkens controles werd de waterkering in de periode voorafgaand aan de hoorzitting niet beweid. Daarnaast geldt dat tijdens het gesloten seizoen (van oktober tot april) alle activiteiten op en rond de kering sowieso niet zijn toegestaan. Dat kan verklaren dat de grasmat op dat moment in goede staat verkeerde.
8.3. Het waterschap betwist de stelling van eiser dat runderen de waterkering op een goede manier beheren. Volgens het waterschap treedt juist vertrapping en verruiging van de grasmat op omdat runderen voornamelijk grassen eten en weinig andere plantsoorten. Waar onkruid groeit wordt het gras verdrongen en dat zorgt volgens het waterschap voor zwakke plekken in de gesloten grasmat. Het waterschap heeft aangegeven er niet mee bekend te zijn dat het machinaal onderhoud dat in haar opdracht wordt verricht tot meer schade leidt en verzoekt eiser dit in voorkomend geval bij haar te melden.
8.4. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het waterschap in redelijkheid het algemene belang van de (water)veiligheid van de waterkering dat met handhaving is gediend, zwaarder heeft laten wegen dan het belang van eiser bij het beweiden van de waterkering. Het besluit is naar het oordeel van de rechtbank geschikt en noodzakelijk om het doel, namelijk het verwijderen van de runderen van de waterkering, te bereiken. Eiser heeft ter zitting benadrukt dat zijn runderen al meer dan dertig jaar op de waterkering lopen en dat nooit eerder handhavend is opgetreden. Het waterschap had gelet daarop volgens hem maatwerk moeten toepassen. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Op grond van vaste rechtspraak van de ABRvS is het enkele tijdsverloop voorafgaand aan een besluit tot handhaving geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het bestuursorgaan van handhavend optreden zou moeten afzien. [4] Gezien de klimaatverandering en de toenemende wateroverlast acht de rechtbank het niet onredelijk dat het waterschap nu alsnog tot handhaving overgaat. De rechtbank is daarbij met het waterschap eens dat maatwerk in dit geval tot ongewenste precedentwerking zou leiden die de waterveiligheid niet ten goede zou komen. Dat de beweiding onderdeel is van de bedrijfsvoering van eiser en een mooi uithangbord voor de boerderijwinkel vormt, maakt het voorgaande niet anders.
8.5. Dat handhavend optreden in strijd is met het evenredigheidsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank dus niet gebleken.
Is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel?
9. Eiser heeft gesteld dat het opleggen van een last onder dwangsom in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Op grond van vaste rechtspraak van de ABRvS is het aan degene die een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel om dat beroep te onderbouwen met concrete gevallen die volgens hem op relevante punten vergelijkbaar zijn met zijn situatie. [5] Eiser heeft in dat verband gewezen op [perceel] , dat wordt beweid met varkens en kippen.
9.1. Het waterschap heeft aangevoerd dat [perceel] geen vergelijkbaar geval is, omdat dat perceel is gelegen op een compartimenteringskering, waarop het beweiden van dieren is toegestaan.
9.2. Eiser heeft niet weersproken dat [perceel] is gelegen op een compartimenteringskering, maar stelt dat toch sprake is van gelijke gevallen omdat op alle percelen hetzelfde verbod geldt. De rechtbank volgt die stelling van eiser niet. Het verbod om de waterkering te beweiden met runderen geldt blijkens artikel 3.2, eerste lid van de Waterschapsverordening niet voor compartimenteringskeringen. De aanwijzing van vergunningvrije gevallen in artikel 3.20 van de Waterschapsverordening is niet van toepassing op compartimenteringskeringen omdat daar geen vergunningplicht geldt.
9.3. De rechtbank concludeert dus dat [perceel] geen vergelijkbaar geval is, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel ook niet slaagt.
Mag gebruik worden voortgezet op grond van overgangsrecht?
10. Eiser heeft een beroep gedaan op artikel 6.1, tweede lid van de Waterschapsverordening. Daarin is bepaald dat voor al hetgeen vóór inwerkingtreding van deze Waterschapsverordening zonder vergunning rechtmatig tot stand is gebracht en/of wordt uitgevoerd, wordt geacht een vergunning ingevolge deze Waterschapsverordening te zijn verleend. Nu eiser de percelen reeds geruime tijd voor de inwerkingtreding van de Waterschapsverordening gebruikte voor extensieve beweiding van runderen mag dat gebruik volgens eiser op grond van het overgangsrecht worden voortgezet.
10.1. Het waterschap heeft aangevoerd dat het verbod op beweiding in ieder geval geldt sinds de Keur van 2003 en hoogstwaarschijnlijk ook op basis van eerdere regelgeving van het hoogheemraadschap. Het waterschap wijst daarbij op artikel 3.7, tweede lid van de Keur van 2003 en artikelen 4.3 en 4.3.2 van de Keur van 2009.
10.2. De rechtbank overweegt dat eiser ter zitting heeft verklaard dat de percelen al vóór 2003 werden beweid met runderen. Eiser heeft echter niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat dit op grond van de destijds geldende regels rechtmatig was. Op grond van vaste rechtspraak van de ABRvS rust op degene die een beroep doet op het overgangsrecht de plicht om aannemelijk te maken dat dit van toepassing is. [6] De rechtbank concludeert dus dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat de beweiding op grond van overgangsrecht kan worden voortgezet.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank concludeert dat niet is gebleken van een bijzonder geval waarin van handhavend optreden moet worden afgezien. Het beroep van eiser is dus ongegrond.
11.1. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier, op 23 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Waterschapsverordening waterschap Brabantse Delta 2024(Waterschapsverordening)

Hoofdstuk 3 Activiteiten bij waterkeringen

Afdeling 3.1 Activiteiten bij waterkeringen
Paragraaf 3.1.1 Algemeen
Artikel 3.1 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.
Artikel 3.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een primaire waterkering of regionale waterkering, met uitzondering van compartimenteringskeringen, of in de daarbij behorende beschermingszone A bij een primaire waterkering of beschermingszone A bij een regionale waterkering, met uitzondering van compartimenteringskeringen;
a. handelingen te verrichten;
b. werken te behouden; of
c
.vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.
(…)
Paragraaf 3.1.5 Beweiden
Artikel 3.19 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het weiden van alle soorten dieren in de beschermingszone A bij een primaire waterkering of beschermingszone A bij een regionale waterkering, met uitzondering van compartimenteringskeringen en op het weiden met schapen en geiten in de primaire waterkering of regionale waterkering, met uitzondering van compartimenteringskeringen.
Artikel 3.20 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
Het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, geldt niet voor het weiden van alle soorten dieren in de beschermingszone A bij een primaire waterkering of beschermingszone A bij een regionale waterkering, met uitzondering van compartimenteringskeringen en op het weiden met schapen en geiten in de primaire waterkering of regionale waterkering, met uitzondering van compartimenteringskeringen.

Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingen

Afdeling 6.1 Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 6.1.1 Overgangsbepalingen algemeen
Artikel 6.1 Overgangsrecht omgevingsvergunningen
(…)
2. Voor al hetgeen vóór inwerkingtreding van deze Waterschapsverordening zonder vergunning rechtmatig tot stand is gebracht en/of wordt uitgevoerd, wordt geacht een vergunning ingevolge deze Waterschapsverordening te zijn verleend. Vanaf het moment van vervanging, wijziging of verwijdering van het object en/of de handeling, moet voldaan worden aan de geldende regels van de onderhavige Waterschapsverordening.
(…)
De Beleidsregels voor Waterkering, Waterkwantiteit en Grondwater Omgevingswet
15.2.7.Kwaliteit van de grasmat
Voor de sterkte, stabiliteit en veiligheid van de waterkeringen is een goede grasmat op taluds en de kruin vereist. Een goede grasmat is in staat een aanzienlijke golfbelasting te weerstaan en vormt daarmee een belangrijk onderdeel van de sterkte van de waterkering. De sterkte van de grasmat wordt bepaald door de soortendiversiteit, een goede en diepe doorworteling en het ontbreken van kale plekken. De erosiebestendigheid van de grasmat moet kunnen worden gegarandeerd voor aanvang van het gesloten seizoen. Beschadigde grasmatgedeelten moeten ingezaaid worden vóór 1 september met graszaad “Natuurdijk II” (of gelijkwaardig) of er moeten geschikte graszoden aangebracht worden op aangevulde en zorgvuldig verdichte grond met nagenoeg dezelfde samenstelling als de oorspronkelijke grond.
Beweiding
Beweiding op de regionale en primaire waterkering is niet toegestaan, met uitzondering van dieren die zijn aangewezen in paragraaf 3.1.5 van de Waterschapsverordening.
De praktijk heeft uitgewezen dat beweiding met dieren (met uitzondering van schapen en geiten) dermate schadelijk is voor de grasmat dat een goede staat niet te garanderen is. Dit geldt eveneens voor de instandhouding van het dijkprofiel. Dit is zowel van toepassing voor intensief als extensief gebruik. Om deze reden geldt een totaalverbod. Voor specifiek aangelegde klimaatrobuuste, verheelde keringen zijn uitzonderingen mogelijk, in gevallen waarbij de grasmat niet meer maatgevend is voor de waterveiligheid, omdat bij het ontwerp van deze kering al rekening is gehouden met beweiding door groot vee.

Voetnoten

1.ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678 (r.o. 6.1).
2.ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
3.Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater (zie hoofdstuk 15 Algemene Toetsingscriteria Waterkeringen)
4.ABRvS 1 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1829 (r.o. 5.3).
5.ABRvS 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:503 (r.o. 7.1) en ABRvS 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3019 (r.o. 7.3).
6.ABRvS 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1745 (r.o. 2.2).