Belanghebbende emigreerde op 30 juni 2021 van Nederland naar Curaçao en had op dat moment aanspraken op een pensioenuitkering en een lijfrente. De inspecteur legde een conserverende aanslag op over het inkomen uit werk en woning van € 797.237 en bracht € 159.447 aan revisierente in rekening. Belanghebbende stelde dat de aanslag onterecht was omdat de pensioenuitkering reeds was ingegaan en niet kon worden afgekocht, en dat het heffingsrecht over het pensioen aan Nederland was toegewezen.
De rechtbank oordeelde dat de conserverende aanslag terecht is opgelegd op grond van artikel 3.83 van de Wet IB 2001 en de Belastingregeling Nederland-Curaçao, waarbij het heffingsrecht over de pensioenuitkering aan Nederland is toegewezen. De rechtbank verwierp het beroep op algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel, omdat geen bijzondere omstandigheden waren die niet door de wetgever waren verdisconteerd.
Ten aanzien van de lijfrente werd geoordeeld dat de aanslag terecht is gebaseerd op artikel 3.136, tweede lid, van de Wet IB 2001, waarbij alleen premies na 15 juli 2009 zijn teruggenomen, wat niet in strijd is met de goede trouw. Ook de revisierente is volgens de rechtbank terecht en niet onredelijk bezwarend. Het beroep op schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur werd verworpen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de conserverende aanslag en revisierentebeschikking en wees een proceskostenvergoeding af.