Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4915

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/5409 RWNL en BRE 25/5473 RWNL
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 RWNArt. 68a BVVNArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging intrekking Nederlanderschap wegens onvoldoende motivering en zorgvuldigheid

Eisers zijn onherroepelijk veroordeeld voor een terroristisch misdrijf en hun Nederlanderschap werd daarop ingetrokken door verweerder. Eisers voerden aan dat de intrekking discriminerend is, dubbele bestraffing inhoudt en onvoldoende rekening is gehouden met hun persoonlijke omstandigheden en het familie- en privéleven.

De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft waarom niet van intrekking is afgezien, met name ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden, de ernst van de feiten, het tijdsverloop en de gevolgen voor het familie- en privéleven. De rapportages van onafhankelijke deskundigen die geen actueel gevaar of radicaal gedachtegoed constateren, zijn onvoldoende betrokken in de besluitvorming.

Verder is de inmenging in het familie- en privéleven onvoldoende beoordeeld, terwijl deze besluiten wel degelijk gevolgen hebben voor het gezinsleven en het inkomen van eisers. De rechtbank volgt de vaste rechtspraak dat er geen sprake is van verboden discriminatie of dubbele bestraffing.

De beroepen worden gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en verweerder opgedragen om opnieuw te beslissen met inachtneming van de uitspraak. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en griffierechten van eisers.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap en draagt verweerder op opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 25/5409 RWNL en BRE 25/5473 RWNL

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1] , eiser 1, V-nummer: [V-nummer 1] , en

[eiser 2], eiser 2, V-nummer: [V-nummer 2]
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),
en
de minister van Justitie en Veiligheid, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: mr. J.V. de Kort en mr. S.J. Maertzdorf).

Inleiding

In twee afzonderlijke besluiten van 11 september 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de intrekking van hun Nederlanderschap ongegrond verklaard.
Eisers hebben bij de rechtbank Amsterdam beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Vanwege de woonplaats van eisers heeft de rechtbank Amsterdam de beroepen doorgezonden naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Eisers hebben aanvullende beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
Eisers hebben een reactie op de verweerschriften ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 30 april 2026 op een zitting behandeld in Middelburg. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
1. Eisers zijn geboren in Nederland op respectievelijk [geboortedag 1] 1988 en [geboortedag 2] 1992. Zij hebben door geboorte de Marokkaanse nationaliteit. Daarnaast hebben zij met het Koninklijk Besluit van 9 december 2003 ook de Nederlandse nationaliteit verkregen door medenaturalisatie met hun vader.
2. In twee vonnissen van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam van 11 oktober 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:7972 en ECLI:NL:RBROT:2019:7973) is aan eisers een gevangenisstraf opgelegd van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Eisers zijn veroordeeld voor het zich opzettelijk inlichtingen verschaffen en/of trachten te verschaffen en zich kennis verwerven tot het plegen van een misdrijf ter voorbereiding van een terroristisch misdrijf, zoals bedoeld in artikel 134a van het Wetboek van Strafrecht (WvSr). De veroordelingen van eisers zijn op 22 maart 2022 onherroepelijk geworden door het intrekken van de door hen tegen deze vonnissen ingestelde hoger beroepen.
3. Op 23 januari 2024 heeft verweerder het voornemen geuit om het Nederlanderschap van eisers in te trekken omdat zij onherroepelijk zijn veroordeeld voor een terroristisch misdrijf. Eisers hebben vervolgens zienswijzen en aanvullende zienswijzen met bijlagen bij verweerder ingediend.
4. In twee afzonderlijke besluiten van 19 december 2024 (de primaire besluiten) heeft verweerder het Nederlanderschap van eisers ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Daarin staat dat verweerder het Nederlanderschap kan intrekken van een persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens, onder meer, het misdrijf omschreven in artikel 134a van het WvSr.
5. Eisers hebben bij verweerder bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten. In de uitspraak van 13 maart 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1519, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank verweerder opgedragen om eisers te behandelen als Nederlander tot zes weken nadat op hun bezwaarschriften is beslist. Op 10 april 2025 zijn eisers door verweerder gehoord over hun bezwaren.
6. In de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en is hij bij zijn standpunt gebleven dat het Nederlanderschap van eisers wordt ingetrokken. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in de uitspraak van 27 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8362, verweerder opgedragen om eisers ook tot zes weken nadat op de beroepen is beslist te behandelen als Nederlander.
7. De minister van Asiel en Migratie heeft bij twee afzonderlijke besluiten van 19 december 2024 tegen eisers terugkeerbesluiten alsmede inreisverboden en signaleringen voor de duur van twintig jaren uitgevaardigd. Eisers hebben daartegen bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, beroepen ingesteld (AWB 26/1482 en AWB 26/1480). Deze beroepen zijn eveneens op de zitting van 30 april 2026 behandeld.
Standpunten
8. Verweerder overweegt in de bestreden besluiten dat eisers door het plegen van een terroristisch misdrijf de essentiële belangen van Nederland hebben geschaad en dat zij daarmee hun band met Nederland hebben doorgesneden. Dit wordt met de intrekking van het Nederlanderschap tot uitdrukking gebracht. Verweerder ziet in het verlies van het Unieburgerschap en in de door eisers naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden geen aanleiding om van intrekking af te zien. Dat eisers nog een actueel gevaar vormen is hiervoor geen voorwaarde. De aard en ernst van de gepleegde strafbare feiten, en de persoonlijke omstandigheden op dat moment en in de periode daarna, zijn al meegewogen door de strafrechter. Dat eisers na het uitzitten van hun straf weer resocialiseren in de maatschappij mag van hen worden verwacht en is dan ook niet bijzonder. Omdat eisers met de intrekkingen niet worden gescheiden van hun vrouwen en minderjarige kinderen, vindt geen inmenging in het familieleven plaats. De inmenging in het privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is gerechtvaardigd, omdat deze met voldoende waarborgen is omkleed en voldoende voortvarend is toegepast.
9. Eisers zijn het niet eens met de bestreden besluiten. Zij voeren – kort samengevat- aan dat bij intrekking van het Nederlanderschap op deze grond sprake is van verboden discriminatie, omdat deze alleen wordt toegepast bij mensen met meerdere nationaliteiten. Ook voeren zij aan dat met de intrekkingen sprake is van een verboden dubbele bestraffing. Verder vinden eisers dat zij zich niet goed kunnen verweren omdat verweerder het onweerlegbare rechtsvermoeden van de doorgesneden band met Nederland hanteert, en een te beperkte invulling geeft aan de afweging van hun persoonlijke belangen. Hierbij voeren eisers aan dat zij feitelijk nog steeds sterke banden met Nederland hebben, dat zij volledig zijn geresocialiseerd en gederadicaliseerd en dat zij geen actueel gevaar vormen. Omdat de intrekkingen gevolgen hebben voor de wijze waarop zij hun gezinsleven uitoefenen, vindt er volgens eisers wel een inmenging in het familieleven plaats. Ten aanzien van het privéleven heeft volgens eisers geen op de persoon toegesneden afweging plaatsgevonden en is ten onrechte overwogen dat snel genoeg tot intrekking is overgegaan.
10. In de aanvulling op de beroepsgronden voorzien eisers deze argumenten van verdere onderbouwing en bronverwijzingen naar, voornamelijk, jurisprudentie. Daarop zal hierna verder worden ingegaan. Naast de eerder overgelegde stukken, te weten: verklaringen van hun echtgenotes, stukken over hun huisvesting en inkomen en het Reclasseringsadvies ten aanzien van eiser 1 van 20 september 2019, leggen eisers twee voorlichtingsrapportages van Forensisch Maatwerk van 16 april 2026 over. Daarin wordt gerapporteerd dat er geen signalen van radicaal gedachtegoed of actuele dreiging bij eisers zijn gevonden.
11. Verweerder stelt zich in de verweerschriften op het standpunt dat de bestreden besluiten juist zijn. Uit de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat geen sprake is van discriminatie of dubbele bestraffing. De door eisers gestelde persoonlijke omstandigheden zijn voldoende in de beoordeling betrokken. Er is dan ook geen sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden. In de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is uitgemaakt dat geen inbreuk wordt gemaakt op het familieleven. Ten aanzien van het privéleven is wel degelijk een op de persoon toegesneden beoordeling gemaakt.
12. Daags voor de zitting van 30 april 2026 hebben eisers een reactie op de verweerschriften ingediend, waarin zij uiteenzetten op welke onderdelen van de beroepsgronden volgens hen in de verweerschriften onvoldoende is ingegaan. Tijdens de zitting zijn eisers in de gelegenheid gesteld om dit stuk toe te lichten en is verweerder in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Discriminatie
13. De Afdeling heeft als hoogste Nederlandse rechter in onder meer denaturalisatiezaken in meerdere uitspraken geoordeeld dat bij intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN geen sprake is van verboden discriminatie. De rechtbank Amsterdam heeft in de uitspraak van 24 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1849, echter anders geoordeeld en overwogen dat daarbij sprake is van directe discriminatie op grond van afkomst of nationale of etnische afstamming, hetgeen nooit objectief gerechtvaardigd kan worden. Eisers beroepen zich op deze uitspraak. Tegen deze uitspraak is hoger beroep aanhangig.
14. De rechtbank volgt eisers hierin niet en sluit daarbij aan op de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14976, en op haar eigen uitspraak van 4 december 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8774. Intrekking van het Nederlanderschap op de grond die hier aan de orde is, vindt niet plaats omdat iemand een bepaalde afkomst of nationaliteit heeft. Dit vindt plaats omdat iemand onherroepelijk is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf. Dit gaat echter in de praktijk niet op voor mensen die daardoor staatloos zouden worden, omdat dit zou stuiten op artikel 14, achtste lid, van de RWN en het internationale recht (met name het Verdrag tot beperking der staatloosheid en het Europees Verdrag inzake nationaliteit).
15. Hoewel hierdoor een verschil in behandeling ontstaat, is een dergelijk verschil volgens de vaste rechtspraak van het EHRM gerechtvaardigd als daarmee een legitiem doel wordt gediend, een geschikt middel wordt ingezet en een evenredigheidsbeoordeling wordt gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is het voorkomen van staatloosheid een legitiem doel en is het niet inzetten van deze intrekkingsmogelijkheid bij monopatriden daarvoor een geschikt middel. Ook maakt verweerder een evenredigheidsbeoordeling. Daarop wordt hierna verder ingegaan.
Dubbele bestraffing
16. Volgens het zogenoemde
ne bis in idem-beginsel is het verboden om iemand tweemaal te straffen voor dezelfde gedraging. In de rechtspraak van het EHRM zijn criteria ontwikkeld om te bepalen of een maatregel kwalificeert als bestraffing (
criminal charge). Volgens het arrest van 8 juni 1976, ECLI:CE:ECHR:1976:0608JUD000510071, in de zaak [arrest] moet worden gekeken naar de classificatie van de sanctie naar nationaal recht, de aard van de overtreding (mede bezien in relatie tot het doel van de sanctie) en de zwaarte van de maatregel. In het arrest van 25 juni 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0625JUD005227316, in de zaak [arrest 2] is geoordeeld dat intrekking van een nationaliteit geen bestraffende sanctie is.
17. Volgens de vaste rechtspraak van de Afdeling is intrekking van het Nederlanderschap op de grond die hier aan de orde is, nadat de betrokkene strafrechtelijk is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf, geen verboden dubbele bestraffing. De intrekking is namelijk een bestuursrechtelijke ordemaatregel die niet gericht is op leedtoevoeging, en daarmee geen bestraffing. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat deze rechtspraak van de Afdeling moet worden verlaten vanwege het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 september 2023 in de zaak [arrest 3] , ECLI:EU:C:2023:667. Hierbij sluit de rechtbank aan op de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25576. Uit het [arrest 3] -arrest volgen namelijk geen andere criteria voor het kwalificeren van een maatregel als bestraffend dan uit het [arrest] -arrest en de daarop gebaseerde Afdelingsrechtspraak. De omstandigheden dat eisers de intrekkingen ervaren als bestraffend, dat zij stellen feitelijk nog steeds sterke banden met Nederland te hebben, dat er geen coördinatie met de strafrechtelijke veroordeling heeft plaatsgevonden en dat de intrekkingen niet in tijd beperkt zijn, zijn daarbij niet bepalend.
Evenredigheid
18. Niet in alle gevallen waarin een onherroepelijke veroordeling voor een terroristisch misdrijf heeft plaatsgevonden, kan worden overgegaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Op grond van artikel 68a van het Besluit Verkrijging en Verlies Nederlanderschap (BVVN) moet verweerder namelijk rekening houden met de gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap en met de zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden van de betrokkene.
19. Uit de uitleg die aan deze bepaling is gegeven in de vaste rechtspraak van de Afdeling, en uit de bespreking hiervan ter zitting, maakt de rechtbank het volgende op. Als ingangsvoorwaarde voor intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN is voldoende dat er een onherroepelijke veroordeling voor een terroristisch misdrijf heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft echter een discretionaire ruimte om van intrekking af te zien. Hoewel deze ruimte beperkt is, is verweerder wel gehouden om kenbaar en gemotiveerd in te gaan op alle door de betrokkene aangeleverde gegevens. Deze gegevens kunnen betrekking hebben op alle persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. Verweerder is bij het verrichten van deze beoordeling gebonden aan het zorgvuldigheidsvereiste van artikel 3:2, en het motiveringsvereiste van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
20. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hieraan onvoldoende invulling heeft gegeven en overweegt daartoe als volgt.
21. Uit de vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 11 oktober 2019 volgt dat eisers zijn veroordeeld voor feiten die zich onderaan het spectrum van de terroristische misdrijven bevinden. Eisers hebben in de periode van 1 februari 2016 tot en met 16 april 2018 zich opzettelijk inlichtingen verschaft of trachten te verschaffen, en kennis verworven tot het plegen van een misdrijf ter voorbereiding van een terroristisch misdrijf. Daardoor hebben eisers zich geafficheerd als aanhangers van extremistisch jihadistisch gedachtegoed. Eisers zijn echter vrijgesproken van, kort weergegeven, het deelnemen aan trainingen voor terrorisme, opruiing en verspreiding ter opruiing en het voorbereiden of bevorderen van terroristische misdrijven. De rechtbank heeft uitdrukkelijk overwogen dat er geen bewijs is dat eisers daadwerkelijk zouden zijn overgegaan tot het plegen van een aanslag als de politie niet had ingegrepen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de bewezenverklaarde feiten werden ingegeven door excessief softdrugsgebruik, ondoordachtzaamheid, het ‘erbij willen horen’ en verkeerde sociale contacten. De rechtbank heeft bij het opleggen van de straffen vastgesteld dat eisers na het opheffen van hun voorlopige hechtenis structuur hebben aangebracht in hun levens, werk en huisvesting hebben gevonden, zijn gestopt met drugsgebruik en verantwoordelijkheidsgevoel tonen jegens hun gezin. Al met al heeft de rechtbank daarom aanleiding gezien om een aanzienlijk lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie gevorderd, en om geen bijzondere voorwaarden op te leggen. De rechtbank heeft het daarmee niet nodig gevonden om toezicht op eisers te laten houden door bijvoorbeeld de Reclassering, het Landelijk Steunpunt Extremisme of een externe theologisch deskundige.
22. Uit de vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat als onderdeel van de in het kader van artikel 68a van het BVVN te maken beoordeling een actualiteitstoets moet plaatsvinden. In dit kader is van belang dat eerst bijna twee jaar na het onherroepelijk worden van de veroordelingen van eisers een voornemen tot intrekking van hun Nederlanderschap is gevolgd. Zoals in het bestuursrecht gebruikelijk is, moet de rechtbank toetsen of ten tijde van het bestreden besluit feiten en omstandigheden aanwezig waren die deze besluiten kunnen dragen. Op het moment van de bestreden besluiten waren er al 90 maanden verstreken sinds het laatstelijk plegen van een strafbaar feit door eisers.
23. Eisers hebben diverse gegevens en stukken overgelegd om te onderbouwen hoe zij zich in deze periode hebben gedragen en welke gevolgen de intrekkingen voor hun levens hebben. Eisers hebben via de hoorzittingen in bezwaar, en door het overleggen van verklaringen van hun echtgenotes, onderbouwd dat zij zich intensief bekommeren om hun gezin. Ook hebben zij met het overleggen van huurcontracten, een arbeidsovereenkomst en een inschrijving in de Kamer van Koophandel, en stukken van de Belastingdienst onderbouwd dat zij een zelfstandige woonruimte en een stabiel inkomen hebben. Verder hebben zij met de door een deskundige opgestelde rapportages van Forensisch Maatwerk onderbouwd dat zij geen radicaal gedachtegoed hebben en geen actueel gevaar voor de openbare orde zijn. Verweerder heeft dit ook overigens niet betwist en evenmin is in geschil dat eisers na 2018 niet meer met politie en justitie in aanraking zijn gekomen.
24. Verweerder is in de bestreden besluiten niet deugdelijk gemotiveerd ingegaan op wat uit het voorgaande volgt met betrekking tot de aard en de ernst van de strafbare feiten, de hoogte van de opgelegde straf, het tijdsverloop sindsdien en de actualiteit van de dreiging die van eisers zou uitgaan op het moment van de besluitvorming, de gevolgen voor het familie- en privéleven in de specifieke situaties van eisers en hun houding en gedrag sinds de veroordelingen. Verweerder had hierbij niet mogen volstaan met het terugverwijzen naar de vonnissen van 11 oktober 2019 en de enkele stelling dat van eisers mag worden verwacht dat zij resocialiseren.
25. Met de verweerschriften is niet tegemoetgekomen aan deze gebreken. Hoewel uit de wetsgeschiedenis van artikel 68a van het BVVN blijkt dat het afzien van intrekking bijvoorbeeld zou kunnen plaatsvinden bij schuldigverklaring zonder strafoplegging, of wanneer sprake is van ontoerekeningsvatbaarheid, betekent dit niet dat dit de enige gevallen zijn waarin verweerder van intrekking zou moeten afzien. Zoals volgt uit wat hiervoor is overwogen en wat op de zitting van 30 april 2026 is besproken, is verweerder namelijk gehouden om ten aanzien van alle aangevoerde persoonlijke omstandigheden deugdelijk gemotiveerd af te wegen of van intrekking moet worden afgezien.
26. Daarnaast heeft verweerder zich niet op het standpunt kunnen stellen dat de bewijswaarde van de door eisers overgelegde rapportages van Forensisch Maatwerk nihil is. Dat de rapportages na de bestreden besluiten en op verzoek van eisers zijn opgesteld, is daarvoor niet redengevend. De rapportages geven namelijk een nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt en zijn opgesteld door een onafhankelijke deskundige. Daarnaast is verweerders stelling dat de onderzoeksopzet, onder meer bestaande uit deskresearch, gesprekken met referenten en gesprekken met eisers zelf, te beperkt is geweest niet onderbouwd, waarbij de rechtbank van belang acht dat niet is gebleken dat de verweerschriften zijn opgesteld met gebruikmaking van een deskundige op forensisch gebied. Dat de actualiteit van het gevaar dat van eisers zou uitgaan geen ingangsvoorwaarde voor de intrekkingen is, laat onverlet dat, zoals hiervoor al is overwogen, dit aspect volgens vaste rechtspraak wel onderdeel uitmaakt van de te maken afweging in het kader van artikel 68a van het BVVN. Verweerder heeft in de verweerschriften niet kunnen terugverwijzen naar die afwegingen zoals deze in de bestreden besluiten zijn gemaakt, omdat uit wat hiervoor is overwogen volgt dat deze niet deugdelijk zijn gemotiveerd. Daarbij heeft verweerder onvoldoende onderkend dat de rapportages mede zijn gebaseerd op meerdere contacten tussen de deskundige en eisers in de periode na afloop van hun proeftijd. Verweerder heeft dan ook niet kunnen volstaan met het standpunt dat aan ontwikkelingen gedurende de proeftijd een gering gewicht toekomt.
27. Verder volgt de rechtbank verweerder niet in zijn stelling dat de rapportages van Forensisch Maatwerk inhoudelijk niet overtuigen. Anders dan verweerder stelt, wordt in de rapportages duidelijk uiteengezet waarom ondanks een deels relativerende houding aan de zijde van eisers kan worden geconcludeerd dat zij op het moment van het afronden van het onderzoek geen actueel gevaar zijn en geen radicaal gedachtegoed hebben. De omstandigheid dat eisers ten overstaan van de deskundige hebben verklaard dat zij incidenteel een joint roken, maakt niet dat zou moeten worden overwogen dat de risicofactoren niet juist in kaart zijn gebracht. In de vonnissen van 11 oktober 2019 is namelijk excessief softdrugsgebruik aangewezen als risicofactor en daarvan is momenteel geen sprake. De enkele vaststelling dat eiser 1 ten tijde van het plegen van de strafbare feiten al kinderen had, maakt niet dat geen gewicht meer kan worden toegekend aan de betrokkenheid die eisers thans tonen bij hun gezin en aan de beschermende werking die daarvan volgens de deskundige uitgaat. Verder kan uit de door verweerder aangehaalde verklaringen van eisers niet worden afgeleid dat zij de feiten waarvoor zij zijn veroordeeld bagatelliseren. Eisers hebben verklaard dat bij hen geen sprake is geweest van diepgeworteld radicaal of jihadistisch gedachtegoed. Dit kan niet worden opgevat als bagatelliserend, omdat dit uit de veroordelingen ook niet is gebleken. Tegelijkertijd hebben eisers verklaard dat zij spijt hebben van wat zij wel hebben gedaan en dat zij daarvan in de afgelopen jaren in woord en daad afstand hebben genomen. Hieruit kan, anders dan verweerder stelt, niet worden afgeleid dat zij nog steeds een houding aannemen die strijdig is met de belangen van Nederland.
28. Verweerder heeft dan ook niet deugdelijk gemotiveerd waarom niet van intrekking is afgezien zoals bedoeld in artikel 68a van het BVVN. De beroepen moeten al hierom gegrond worden verklaard. Vanuit het oogpunt van finale geschilbeslechting zal de rechtbank hierna echter ook nog verder ingaan op het recht op familie- en privéleven.
29. Aangezien uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden, ziet de rechtbank geen aanleiding om verder in te gaan op de beroepsgronden die op dit punt in stelling zijn gebracht. Wel merkt de rechtbank op dat deze grotendeels al besproken zijn in haar eerdere uitspraak van 4 december 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8774, zodat op dit punt naar die uitspraak wordt verwezen.
Familie- en privéleven
30. In artikel 8 van Pro het EVRM is het recht op familie- en privéleven neergelegd. Eisers oefenen in Nederland familieleven uit met hun vrouwen en minderjarige kinderen. Volgens verweerder kan een beoordeling hiervan in deze zaken geheel buiten beschouwing blijven, omdat de bestreden besluiten niet meebrengen dat eisers van hun gezinnen worden gescheiden doordat zij niet langer in Nederland mogen verblijven. Deze gevolgen treden overigens wel op in de hiervoor al benoemde zaken over de terugkeerbesluiten, inreisverboden en signaleringen.
31. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst verweerder op de Afdelingsrechtspraak die terugvoert op het arrest van het EHRM in de zaak [arrest 2] . Eisers hebben er echter terecht op gewezen dat de situatie in die zaak afwijkt van hun situatie. Uit dit arrest volgt namelijk niet alleen dat de betrokkenen ondanks intrekking van de Franse nationaliteit niet uitzetbaar waren, maar ook dat zij vanwege een verblijfsvergunningaanvraag rechtmatig verblijf behielden. Eisers echter zijn door de bestreden besluiten onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen zoals bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 geworden. Hoewel dat als zodanig nog niet meebrengt dat zij Nederland moeten verlaten, zijn reeds op de dag van de intrekkingen al terugkeerbesluiten, inreisverboden en signaleringen gevolgd die dergelijke gevolgen wel meebrengen. Die besluiten moeten in een afzonderlijke procedure worden getoetst. Dat laat echter onverlet dat het recht op familieleven meer behelst dan het mogen verblijven in hetzelfde land. Het recht op familieleven beschermt namelijk ook de wijze waarop, en de intensiteit waarmee daaraan invulling wordt gegeven. Verweerder heeft ten onrechte niet onderkend dat de bestreden besluiten als zodanig daarvoor gevolgen hebben voor eisers. Eisers hebben immers onbetwist gesteld dat zij vanwege de bestreden besluiten hun inkomen verliezen en dat zij daardoor niet meer, althans niet meer op dezelfde manier, voor hun gezinnen kunnen zorgen. Verweerder heeft gelet hierop een beoordeling van het familieleven ten onrechte geheel buiten beschouwing gelaten.
32. Niet in geschil is dat de bestreden besluiten een inmenging zijn in het recht van eisers op uitoefening van hun privéleven in Nederland. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat deze inmenging gerechtvaardigd is omdat deze met voldoende waarborgen is omkleed en tijdig is geschied. Gelet op met name het arrest van het EHRM van 22 december 2020 in de zaak [arrest 4] , ECLI:CE:ECHR:2020:1222JUD004393618, dient te worden beoordeeld of de intrekking voorzien is bij wet, of de betrokkene de intrekking bij de rechter heeft kunnen aanvechten, of de intrekkingsprocedure met voldoende waarborgen is omkleed, of verweerder zorgvuldig heeft gehandeld en snel genoeg tot intrekking is overgegaan en ten slotte of verweerder de intrekkingsbevoegdheid niet willekeurig heeft toegepast.
33. Waar het gaat om het snel genoeg tot intrekking overgaan, heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1528. Omdat de Afdeling in die zaak een periode van 23 maanden tussen het onherroepelijk worden van de veroordeling en het voornemen tot intrekking heeft geaccepteerd, ten opzichte van 22 maanden in het geval van eisers, is volgens verweerder ook in het geval van eisers snel genoeg gehandeld. Door zo te overwegen is echter ten onrechte niet onderkend dat een beoordeling van het privéleven een op het individuele geval toegesneden beoordeling is van alle relevante feitelijke omstandigheden. Gelet op dit beoordelingskader krijgt het tijdsverloop een zeker gewicht in verhouding tot de andere relevante persoonlijke omstandigheden. Verweerder heeft hierbij met name ten onrechte niet onderkend dat eisers aanzienlijk lager zijn gestraft dan de appellant in de aangehaalde Afdelingsuitspraak. Verweerder heeft dan ook niet kunnen overwegen dat een vergelijkbare periode tussen het onherroepelijk worden van de veroordeling en het voornemen tot intrekking zonder meer acceptabel is. Daarmee is onvoldoende gemotiveerd dat de inmenging op het privéleven van eisers gerechtvaardigd is.
Conclusie en gevolgen
34. De beroepen zijn gegrond. De bestreden besluiten moeten worden vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsvereiste van artikel 3:2, en het motiveringsvereiste van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de te vernietigen bestreden besluiten geheel in stand te laten, of om op een andere wijze zelf in de zaak te voorzien. Daarvoor is redengevend dat het op de weg van verweerder ligt om alsnog een deugdelijk onderzocht en gemotiveerd standpunt in te nemen over de vraag of van de intrekkingen moet worden afgezien op grond van artikel 68a van het BVVN, en over de vraag of handhaving van de intrekkingen verenigbaar is met artikel 8 van Pro het EVRM. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om opnieuw op de bezwaarschriften van eisers te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
35. In de gegrondverklaring van de beroepen ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Hierbij is sprake van twee samenhangende beroepschriften zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het Bpb.
36. Daarnaast moet verweerder vanwege de gegrondverklaring de door eisers betaalde griffierechten van in totaal € 388 vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart de beroepen gegrond;
 vernietigt de bestreden besluiten van 11 september 2025;
 draagt verweerder op om nieuwe besluiten te nemen op de bezwaarschriften van eisers met inachtneming van deze uitspraak;
 veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten ter hoogte van € 1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro);
 bepaalt dat verweerder de door eisers betaalde griffierechten ter hoogte van € 388 (driehonderdachtentachtig euro) moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 3 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter en voorzitter, en mr. A.C.J. van Dooijeweert en mr. W.H. Bel, rechters, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.