ECLI:NL:RVS:2025:1528
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Wissels
- M. den Heyer
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens terroristisch misdrijf ondanks persoonlijke omstandigheden
Appellant, geboren in Nederland en tevens houder van de Turkse nationaliteit, kreeg in 1995 het Nederlanderschap. In 2020 trok de staatssecretaris zijn Nederlanderschap in op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, vanwege een onherroepelijke veroordeling voor terroristische misdrijven en het bezit van een stroomstootwapen.
Appellant voerde aan dat de intrekking onredelijk was vanwege zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder een autismespectrumstoornis en verstandelijke beperking, en dat de strafrechtelijke gedragingen niet ernstig genoeg waren. Ook stelde hij dat het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel en artikel 8 EVRM Pro in de weg stonden aan de intrekking.
De Raad van State oordeelde dat de intrekking wettelijk was toegestaan, dat de strafrechtelijke veroordeling onherroepelijk was geworden na de wetswijziging die het intrekken van het Nederlanderschap bij terroristische misdrijven mogelijk maakte, en dat persoonlijke omstandigheden en humanitaire redenen niet tot afzien van intrekking leiden. Tevens werd geoordeeld dat de intrekking niet in strijd is met het EVRM, omdat de staatssecretaris de belangen zorgvuldig heeft afgewogen en appellant rechtsbescherming heeft gehad.
De Raad van State verwierp ook het beroep op artikel 3 EVRM Pro, omdat de uitzetting voortvloeide uit een afzonderlijk terugkeerbesluit en niet uit de intrekking zelf. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van het Nederlanderschap bleef in stand.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap van appellant wegens terroristische veroordeling wordt bevestigd ondanks zijn persoonlijke omstandigheden.