Uitspraak
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 22 juni 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] , belanghebbende
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
- van 30 januari 2004 tot 16 maart 2015 en van 11 september 2015 tot 30 november 2015 op het adres [adres 1] te [plaats 1] (de woning);
- van 20 maart 2017 tot 18 mei 2018 op het adres [adres 2] te [plaats 1] ;
- vanaf 18 mei 2018 op het adres [adres 3] te [plaats 2] (Curaçao).
Hiermee komt het totaalbedrag van het witgewassen geld op € 2.205.440,27.”
Beoordeling door de rechtbank
- belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit (zie 3);
- in zijn aangiften IB/PVV over de jaren 2017 en 2019 heeft belanghebbende de woning als eigen woning aangegeven (zie 3.2);
- in 2018 beschikte belanghebbende over zes bankrekeningen en een beleggingsrekening in Nederland (zie 3.4);
- in 2018 beschikte belanghebbende in Nederland over een auto, waarvoor hij motorrijtuigenbelasting betaalde (zie 3.5);
- de rechtbank acht aannemelijk geworden dat belanghebbende in heel 2018 in Nederland beschikte over een woning, te weten de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] , en daar ook met grote regelmaat verbleef. De rechtbank acht daarbij van belang dat belanghebbende in de BRP op dit adres ingeschreven stond van 30 januari 2004 tot 16 maart 2015 en van 11 september 2015 tot 30 november 2015 (zie 3.1), dat belanghebbende en de ex-echtgenote bij de doorzoeking van de woning op 2 november 2018 aldaar aanwezig waren (zie 3.7), dat de mobiele telefoon van belanghebbende zich het grootste deel van de periode van 29 mei 2018 tot en met 1 november 2018 in de woning bevond (zie 3.8), dat twee personen hebben verklaard dat belanghebbende in de woning woonde/verbleef (zie 3.11 en 3.12) en dat belanghebbende in 2017 en 2018 ruim € 275.000 heeft betaald voor (verbouw)werkzaamheden aan de woning (zie 3.13).