ECLI:NL:RBZWB:2026:5556

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
BRE 22/2350, 22/2351, 23/1243 en 23/1244
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 4 AWRArt. 8:29 AwbArt. 8:42 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen inkomstenbelasting en Zvw

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 22 juni 2026 uitspraak gedaan in vier samenhangende zaken betreffende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over de jaren 2017 en 2018. Belanghebbende was in geschil met de inspecteur over de juistheid van de aanslagen, de opgelegde boeten en belastingrente. Tevens werd beoordeeld of belanghebbende recht had op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende gedurende het gehele jaar 2018 binnenlands belastingplichtige was, ondanks zijn verblijf op Curaçao. De inspecteur had aannemelijk gemaakt dat belanghebbende aanzienlijke niet-aangegeven inkomsten had genoten, onder meer door grootschalige contante uitgaven en onverklaarde vermogensmutaties. De bewijslast werd omgekeerd en verzwaard, en de inspecteur had een redelijke schatting gemaakt van het niet aangegeven inkomen. De aanslagen en boeten werden grotendeels gehandhaafd, met matiging van de boeten wegens overschrijding van de redelijke termijn en omkering van de bewijslast. De boeten voor de Zvw werden vernietigd wegens dubbele bestraffing.

Belanghebbende had geen recht op het oproepen van getuigen en het hoorrecht was niet geschonden. Ook werd het motiveringsbeginsel niet geschonden en was het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet van toepassing. De rechtbank kende een vergoeding van immateriële schade toe van in totaal €7.500 wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werd het griffierecht en proceskostenvergoeding aan belanghebbende toegekend. De beroepen tegen de aanslagen en boeten over 2018 werden gegrond verklaard, voor het overige ongegrond.

De uitspraak is onherroepelijk tenzij binnen zes weken hoger beroep wordt ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. De zaak betreft complexe fiscale en bestuurlijke geschillen met onderliggende strafrechtelijke onderzoeken naar witwassen en onverklaarde vermogensbestanddelen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond voor de aanslag IB/PVV 2018 en bijbehorende boeten, vermindert deze en vernietigt enkele boetebeschikkingen, en kent vergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 22/2350, 22/2351, 23/1243 en 23/1244

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 22 juni 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 24 maart 2022 en 7 februari 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de volgende jaren naar de volgende inkomens (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en naar de volgende premie-inkomens (navorderings)aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, de volgende boeten opgelegd (de boetebeschikkingen) en tot de volgende bedragen belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen):
Navorderingsaanslag 2017
Aanslag 2018
IB/PVV inkomen uit werk en woning
€ 735.681
€ 1.357.971
IB/PVV inkomen uit sparen en beleggen
€ 35.637
€ 7.019
Vergrijpboete
€ 188.446
€ 354.590
Verzuimboete
-
€ 369
Belastingrente
€ 62.489
€ 64.926
Zvw premie-inkomen
€ 53.701
€ 53.750
Vergrijpboete
€ 1.449
€ 1.548
Belastingrente
€ 476
€ 282
1.2.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard, behalve voor zover het de verzuimboetebeschikking IB/PVV 2018 betreft, welke hij heeft vernietigd.
1.3.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Partijen zijn uitgenodigd om op 17 januari 2025 op zitting te verschijnen. Deze zitting is wegens organisatorische redenen niet doorgegaan. Belanghebbende heeft de rechtbank vervolgens bericht dat de zaken zonder mondelinge behandeling ter zitting kunnen worden afgedaan. Daarop heeft de inspecteur de rechtbank laten weten dat een zitting ook wat hem betreft achterwege kan blijven. Omdat ook de rechtbank een zitting niet nodig vond, heeft zij het onderzoek gesloten en de zaken niet behandeld op een zitting. [1] Bij bericht van 11 mei 2026 heeft de rechtbank een schriftelijke uitspraak binnen zes weken aangekondigd.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de (navorderings)aanslagen, de boetebeschikkingen en de belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Ook beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank zal de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar over de aanslag IB/PVV 2018, de daarbij gegeven belastingrentebeschikking en de boetebeschikkingen gegrond verklaren. Voor het overige zal de rechtbank de beroepen ongegrond verklaren. Verder heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.

Feiten

3. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij is gehuwd geweest met [ex-echtgenote] (de ex-echtgenote).
3.1.
In de Basisregistratie Personen (BRP) stond belanghebbende in de volgende perioden op de volgende adressen ingeschreven:
  • van 30 januari 2004 tot 16 maart 2015 en van 11 september 2015 tot 30 november 2015 op het adres [adres 1] te [plaats 1] (de woning);
  • van 20 maart 2017 tot 18 mei 2018 op het adres [adres 2] te [plaats 1] ;
  • vanaf 18 mei 2018 op het adres [adres 3] te [plaats 2] (Curaçao).
De ex-echtgenote staat sinds 30 januari 2004 in de BRP ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaats 1] (de woning).
3.2.
Belanghebbende is uitgenodigd voor het doen van aangifte IB/PVV over de jaren 2017 en 2018. Voor 2018 betrof het een M-aangifte, omdat hij in dat jaar is uitgeschreven in Nederland. Belanghebbende heeft in de aangiften de volgende inkomsten aangegeven:
2017
2018
Loon
-
€ 864
Inkomsten uit eigen woning
-/- € 20.009
-
Grondslag sparen en beleggen binnenlandse periode
€ 802.877
€ 186.000
Grondslag sparen en beleggen buitenlandse periode
-
€ 52.523
3.3.
In zijn aangiften IB/PVV over de jaren 2017 en 2019 heeft belanghebbende de woning als eigen woning aangegeven.
3.4.
In het jaar 2018 beschikte belanghebbende over zes bankrekeningen en een beleggingsrekening in Nederland.
3.5.
In 2018 had belanghebbende in Nederland een auto op zijn naam staan, voor welke auto hij de motorrijtuigenbelasting betaalde.
3.6.
In de periode van 21 mei 2018 tot en met 31 december 2018 was belanghebbende twee keer op Curaçao. De verblijfsduur op Curaçao bedroeg 6 dagen tot maximaal 14 dagen.
3.7.
Op 2 november 2018 is de woning doorzocht door de politie. Op dat moment waren belanghebbende en de ex-echtgenote in de woning aanwezig.
3.8.
Tijdens de in 3.7 bedoelde doorzoeking is een mobiele telefoon aangetroffen. Met dat toestel werd onder andere een telefoonnummer op naam van belanghebbende gebruikt. Gezien de locaties van de aangestraalde telefoonmasten heeft de politie geconcludeerd dat de mobiele telefoon van belanghebbende zich het grootste deel van de periode van 29 mei 2018 tot en met 1 november 2018 in de woning bevond en wanneer belanghebbende op Curaçao was, de telefoon geen telefoonmasten in Nederland aanstraalde.
3.9.
Met dagtekening 20 november 2018 en 10 maart 2021 heeft de inspecteur, op grond van artikel 55 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de Officier van Justitie verzocht om alle gegevens te verstrekken uit het strafrechtelijk onderzoek, genaamd 26Bothell, tegen onder meer belanghebbende en de ex-echtgenote.
3.10.
De inspecteur heeft van de Officier van Justitie een afschrift ontvangen van het dossier 26Bothell.
3.11.
Op 5 mei 2019 werden belanghebbende en [persoon 1] te [plaats 3] als verdachten gehoord door de politie vanwege het aantreffen van een gestolen/verduisterde personenauto in een garagebox aan de [adres 4] te [plaats 1] . Belanghebbende verklaarde dat hij al een tijdje niet met die auto reed omdat de sleutel bij de doorzoeking (zie 3.7) in beslag was genomen. [persoon 1] verklaarde daarbij dat hij de garagebox vanaf 28 februari 2018 aan belanghebbende verhuurde en dat belanghebbende in de woning woonde.
3.12.
Volgens het Team Criminele Inlichtingen heeft een informant in oktober 2018 onder meer de informatie verstrekt dat belanghebbende in de woning verblijft als hij in Nederland is.
3.13.
Uit gevorderde gegevens van diverse bouw- en installatiebedrijven heeft de politie afgeleid dat in de periode januari 2017 tot en met november 2018 grootschalige (verbouw)werkzaamheden hebben plaatsgevonden aan de woning. Belanghebbende heeft ter zake daarvan de volgende facturen contant betaald:
Betreft
Bedrag
(Factuur)datum
[bedrijf 1]
€ 8.000,00
21-01-2017
Order [nummer 1] [bedrijf 2]
€ 40.453,79
26-01-2017
Factuur [nummer 2] [bedrijf 3]
€ 2.020,23
10 -02-2017
Factuur [nummer 3] [bedrijf 4]
€ 3.056,05
20-04-2017
Factuur [nummer 4] [bedrijf 3]
€ 6.655,00
21-04-2017
Factuur [nummer 5] [bedrijf 5]
€ 2.580,12
15-06-2017
Factuur [nummer 6] [bedrijf 6]
€ 33.471,07
20-07-2017
Factuur [nummer 7] [bedrijf 5]
€ 4.250,75
03-08-2017
Factuur [nummer 8] [bedrijf 3]
€ 2.100,00
12-09-2017
Overname inboedel [adres 3]
€ 50.000,00
17-01-2018
Order [nummer 9] [bedrijf 2]
€ 10 .932,00
28-02-2018
Order [nummer 10] [bedrijf 2]
€ 56.000,00
03-03-3018
Order [nummer 11] [bedrijf 2]
€ 1.280,00
03-03-2018
Factuur [nummer 12] [bedrijf 7]
€ 17.575,01
23-04-2018
Factuur [nummer 13] [bedrijf 7]
€ 21.968,76
25-04-2018
Factuur [nummer 14] [bedrijf 5]
€ 7.431,32
02-05-2018
Factuur [nummer 15] [bedrijf 8]
€ 1.125,30
07-09-2018
Factuur [nummer 16] [bedrijf 9]
€ 2.120,00
13-09-2018
Factuur [nummer 16] [bedrijf 9]
€ 3.445,00
25-09-2018
Factuur [nummer 17] [bedrijf 10]
€ 1.000,00
02- 10 -2018
Factuur [nummer 18] [bedrijf 8]
€ 955,90
08- 10 -2018
Factuur [nummer 16] [bedrijf 9]
€ 2.755,00
01-11-2018
[bedrijf 11]
€ 75,00
onbekend
Totaal
€ 279.250,30
3.14.
Tot de dossiers behoort onder meer een proces-verbaal van de Landelijke Eenheid Dienst Landelijke Recherche, Team FinEc-Fraude 2, van 12 oktober 2020, waarin onder meer staat:
“Naar aanleiding van een proces-verbaal met restinformatie uit het onderzoek 26Staaldiep, (…) werd een voorbereidend en oriënterend onderzoek gestart. In een in 26Staaldiep opgenomen telefoongesprek (…) werd gesproken over [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende]. Zij zouden een Spaanse onderneming genaamd [onderneming] hebben en zouden een bestaande woning in [plaats 1] willen laten voorzien van, onder meer, kogelwerende deuren. (…) Verder zouden ze bulken van het geld.
(…)
Zowel [belanghebbende] als [de zoon van belanghebbende] bleken gekend in de politiesystemen als verdachten van deelneming aan een criminele organisatie, overtreding Opiumwet en geweldsdelicten.
(…)
Door de Financial Intelligence Unit (FIU) bleken 4 recente (2017-2018) transacties als verdachte transacties aangemerkt die betrekking hadden op [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende], (…) Hieruit bleek dat er via diverse vennootschappen in verschillende landen werd betaald alsook dat er sprake was van contante betaling en storting.
(…)
(…) Verder werd op 29 oktober 2018 door de TCI Zuid West Brabant informatie verstrekt inhoudende dat [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende] zich op grote schaal bezig houden met drugshandel en dat ze daar bakken met geld mee verdienen.
Besloten werd tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek, genaamd 26Bothell, naar witwassen door [de zoon van belanghebbende] en [belanghebbende]. Zij werden er van verdacht geldbedragen wit te hebben gewassen en daaruit voordeel te hebben getrokken (…)
Op 31 oktober 2018 werd van het Team Criminele Inlichtingen de navolgende informatie ontvangen: “Als [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende] in Nederland zijn, verblijven zij op de adressen [adres 2] en [adres 1] te [plaats 1] . Deze huizen zijn recentelijk voor een kapitaal verbouwd. (…)
Uit bij de Belastingdienst opgevraagde gegevens over het inkomen van [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende] en dat van hun partners bleek dat het niet aannemelijk was dat de verbouwingen met geld uit een legale inkomstenbron (…) was gefinancierd.
(…)
In het kader van het strafrechtelijk onderzoek werden gegevens opgevraagd bij de Belastingdienst, banken, een autohandelaar, bouwondernemingen, leveranciers van bouwmaterialen, keukens, woninginrichting, luxe goederen en vonden getuigenverhoren plaats.
Met deze gegevens werd een zogenaamde eenvoudige kasopstelling samengesteld. (…)
Verder stuitte het politieteam op een aantal verdachte geldstromen waar [belanghebbende] bij betrokken was.
(…)
2. BETROKKENEN IN HET DOSSIER
(…)
2.1 [
Belanghebbende]
[Belanghebbende] staat als niet-ingezetene geregistreerd en is geëmigreerd sinds 18 mei 2018 met verblijfadres [adres 3] te [plaats 2] Curaçao. Daarvoor stond hij ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaats 1] . Dit betreft de woning van zijn zoon (…) en niet de woning [adres 1] waar [belanghebbende] verblijft wanneer hij in Nederland is.
Van [belanghebbende] is bekend dat hij omvangrijke uitgaven heeft gedaan, onder meer voor de aankoop van onroerend goed in Nederland en het buitenland, ter verbetering van dat onroerend goed en voor de aanschaf van luxe goederen en auto’s, terwijl daar geen regelmatig legaal inkomen tegenover staat. Hij wordt ervan verdacht geld, dat afkomstig is uit gepleegde misdrijven, te hebben witgewassen.
2.2
De ex-echtgenote
[De ex-echtgenote] is de partner van [belanghebbende]. Zij staat als enige persoon ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaats 1] .
Hoewel het huwelijk tussen haar en [belanghebbende] is ontbonden (…), wordt door vastgestelde feiten en omstandigheden in dit verband bij hen uitgegaan van een economische eenheid en een gezamenlijke huishouding.
(…)
2.6
Handelsonderneming [B.V.]
(…) Vermoedelijk wordt deze vennootschap gebruikt voor het aan [belanghebbende] overdragen van geld waarbij de werkelijke herkomst daarvan wordt verhuld.
(…)
2.8
[onderneming]
(…)
Uit onderzoek blijkt dat een deel van de geleverde goederen en diensten voor de verbouwing van de woning van [belanghebbende] is gefactureerd aan de Spaanse vennootschap [onderneming] . Een groot deel van deze facturen is contant voldaan. (…)
2.9
[rechtspersoon 1]
Deze rechtspersoon naar het recht van de Verenigde Arabische Emiraten is gevestigd in [plaats 4] en is te relateren aan de Nederlander [persoon 2] .
2.10.
[persoon 2]
, (…), treedt op als verlener van fiscale en financiële diensten en adviezen voor [belanghebbende].
3. WITWASHANDELINGEN
(…)
Werkelijke contante uitgaven
Uit de kasopstelling blijkt dat [belanghebbende] en [de ex-echtgenote] een bedrag van €1.387.359,26hebben besteed aan contante uitgaven en contante stortingen op de privé bankrekeningen van [belanghebbende] en [de ex-echtgenote].
contante uitgaven en contante stortingen op de privé
bankrekeningen
2.4.1. Contante stortingen rekeningnummer: (…)
€ 185.700,00
2.4.2. Contante stortingen rekeningnummer: (…)
€ 28.350,00
2.4.3. Contante stortingen rekeningnummer: (…)
€ 18.100,00
2.4.4. Contante stortingen rekeningnummer: (…)
€ 1.200,00
2.4.5. Contante storting [NV] NV (Prepaid card)
€ 3.018,01
2.4.6. Contante betaling [BV 1]
€ 247.511,65
2.4.7. Contante betaling [bedrijf 12]
€ 20.202,00
2.4.8. Contante lening aan [bedrijf 13]
€ 60.000,00
2.4.9. Contante betaling [bedrijf 14]
€ 13.000,00
2.4.10. Contante betaling [bedrijf 1]
€ 8.000,00
2.4.11. Contante betaling [bedrijf 15]
€ 3.056,05
2.4.12. Contante betaling [bedrijf 2]
€ 330.633,03
2.4.13. Contante betaling [bedrijf 5]
€ 14.262,19
2.4.14. Contante betaling [bedrijf 16]
€ 41.529,53
2.4.15. Contante betaling [bedrijf 7] BV
€ 87.824,72
2.4.16. Contante betaling [bedrijf 17]
€ 90.000,00
2.4.17. Contante betaling [bedrijf 6]
€ 69.971,07
2.4.18. Contante betaling [bedrijf 18]
€ 78.518,00
2.4.19. Contante betaling [bedrijf 9] B.V.
€ 8.320,00
2.4.20. Contante betaling [bedrijf 8]
€ 2.081,20
2.4.21. Contante betaling [bedrijf 19]
€ 1.000,00
2.4.22. Contante betaling [bedrijf 20]
€ 1.025,00
2.4.23. Contante betaling [BV 2]
€ 11.980,00
2.4.24. Contante betaling inboedel Curaçao
€ 50.000,00
2.4.25. Contante betaling huur garagebox
€ 800,00
2.4.26. Contante betaling [bedrijf 21]
€ 11.276,81
Totaal
€ 1.387.359,26
In een kasopstelling wordt uitgegaan van het beginsaldo van het contante geld dat de verdachten voorhanden hadden bij aanvang van de onderzoeksperiode waarbij de legale contante ontvangsten, inclusief opnamen van contant geld van bankrekeningen, worden opgeteld. Van die uitkomst wordt het contante geldbedrag dat de verdachten ter beschikking hadden aan het einde van de onderzoeksperiode afgetrokken. (…)
Voor wat betreft [belanghebbende] en [de ex-echtgenote] is deze opstelling als volgt:
Beginsaldo contant geld
€ 0,00
+/+ Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen
€ 10.780,00
-/- Eindsaldo contant geld
€ 1.255,00
Beschikbaar voor het doen van uitgaven
€ 9.525,00
-/- Werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen
€ 1.387.359,26
Verschil (niet legale contante inkomstenbron)
€ -1.377.834,26
(…)
3.2
Inleiding woning aan het [adres 5] te [plaats 1]
Uit gegevens van de Belastingdienst en het Kadaster blijkt dat op 16 februari 2018 een woning aan het [adres 5] te [plaats 1] is aangekocht door [de ex-echtgenote] voor het bedrag van€ 162.500,-.
(…)
Uit onderzoek is gebleken dat noch [de ex-echtgenote], noch [belanghebbende], over voldoende legale middelen konden beschikken om deze aankoop te doen, waardoor het vermoeden is dat dit met van misdrijf afkomstig geld is betaald.
3.3
Inleiding woning [adres 3] op Curaçao
In 2018 werd door de rechtspersoon (…) [rechtspersoon 1] (hierna: [rechtspersoon 1] ) de rechtspersoon naar het recht van Curaçao [rechtspersoon 2] (…) gekocht voor een bedrag van € 375.000. [rechtspersoon 2] heeft de woning gelegen aan [adres 3] op Curaçao in zijn bezit en met deze verkooptransactie werd [rechtspersoon 1] eigenaar van deze woning. In het kader van het onderzoek (…) van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst werden onder meer emailverkeer berichten van de heer [persoon 2] in beslag genomen (…) Hieruit bleek dat de heer [persoon 2] namens [rechtspersoon 1] heeft onderhandeld en in berichtenverkeer via e-mail vertelde hij dat hij optrad namens [belanghebbende].
(…)
(…) Er kan dan ook vanuit worden gegaan dat het gehele bedrag van€ 375.000,-namens [belanghebbende] door [rechtspersoon 1] is betaald.
(…)
Uit onderzoek is niet gebleken dat [belanghebbende] over voldoende legale middelen kon beschikken om deze aankoop te doen, waardoor het niet anders kan zijn dat dat de woning – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.
(…)
3.4
Inleiding provisie [B.V.] uit overeenkomsten [bedrijf 22] GmbH
Uit documenten die (…) in beslag zijn genomen en uit documenten die door de boekhouder van de Duitse onderneming [bedrijf 22] GmbH (hierna: [bedrijf 22] ) zijn verstrekt, werd bekend dat [bedrijf 22] op grond van provisieovereenkomsten met het Duitse [B.V.] GmbH en de Nederlandse Handelsonderneming [B.V.] BV, geldbedragen overmaakt naar de laatstgenoemde ondernemingen (…) Op haar beurt maakt Handelsonderneming [B.V.] BV een gedeelte van deze bedragen over naar [belanghebbende] en aan hem gelieerde natuurlijke personen en worden betalingen verricht in het belang van [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende].
(…)
In totaal werd aldus€ 290.106,01naar of ten gunste van [belanghebbende] of aan hem te relateren (rechts)personen doorbetaald. (…)
(…)
Gelet op het voorgaande is de verdenking ontstaan dat door middel van valse provisieovereenkomsten en valse facturen wordt voorgewend dat er diensten en/of werkzaamheden van [belanghebbende] staan tegenover de betalingen van geld van [bedrijf 22] via Handelsonderneming [B.V.] BV, dat uiteindelijk ook naar of ten gunste van [belanghebbende] is overgemaakt.
Gelet op deze verhullingshandelingen en het feit dat tegenover de betalingen geen legale werkzaamheden of diensten hebben gestaan, kan het, ook in aanmerking genomen de vele legaal niet te verklaren contante uitgaven van [belanghebbende] in die periode, niet anders zijn dan dat de giraal door Handelsonderneming [B.V.] BV aan of voor [belanghebbende] gedane betalingen – onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig zijn.
(…)
Uit het financiële rechercheonderzoek blijkt dat [belanghebbende] en [de ex-echtgenote] de beschikking hadden over een bedrag van€ 1.377.834,26aan contanten dat niet kan worden verklaard aan de hand van legaal verkregen inkomsten.
Het onderzoek bracht eveneens de verhulling van de eigendom van de woningen aan het [adres 5] in [plaats 1] en [adres 3] op Curaçao en het ontvangen provisiegeld van [bedrijf 22] GmbH, met een totaalbedrag van€ 827.606,01aan het licht.

Hiermee komt het totaalbedrag van het witgewassen geld op € 2.205.440,27.”

3.15.
Bij het opleggen van de onderhavige (navorderings)aanslagen is het hiervoor genoemde bedrag van € 2.205.440,27 voor het overgrote deel bij het belastbaar inkomen uit werk en woning / het bijdrage-inkomen opgeteld. De (navorderings)aanslagen IB/PVV zijn naar de volgende belastbare inkomens uit werk en woning berekend:
2017
2018
Aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning
€ -20.009
€ 864
Bijtelling
+ € 755.690
+ € 1.377.116
Verrekening verlies uit voorafgaande jaren
€ 20.009
Belastbaar inkomen uit werk en woning volgens (navorderings)aanslag
€ 735.681
€ 1.357.971
3.16.
Tot het dossier behoort het vonnis van de meervoudige kamer voor behandeling van strafzaken van de rechtbank Oost-Brabant van 8 februari 2023 tegen belanghebbende. Daarin is belanghebbende veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden voor het medeplegen van, van het plegen van witwassen een gewoonte maken, gedurende de periode 1 januari 2011 tot en met 2 november 2018. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.
3.17.
Bij e-mail van 14 maart 2022 heeft de inspecteur belanghebbende uitgenodigd voor een hoorgesprek, waarbij drie data, telkens onder vermelding van een tijdstip, zijn voorgesteld. In de e-mail staat dat het hoorgesprek ten kantore van de inspecteur (te [locatie] ), telefonisch of via een Webex-vergadering kan plaatsvinden. Verder staat in de e-mail dat, mocht geen van de drie data schikken, een concreet tegenvoorstel voor een datum kan worden gedaan.
3.18.
Bij e-mails van 15 maart 2022 en 16 maart 2022 heeft de inspecteur niet ingestemd om het hoorgesprek op de door de gemachtigde genoemde locaties te houden en voorgesteld om het hoorgesprek te voeren op een kantoor van de Belastingdienst dat dichter in de buurt ligt bij het kantoor van de gemachtigde van belanghebbende en is nogmaals de mogelijkheid geboden om het gesprek telefonisch te laten plaatsvinden.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft de inspecteur het motiveringsbeginsel geschonden?
4. Belanghebbende stelt dat de uitspraken op bezwaar onvoldoende zijn gemotiveerd omdat niet of onvoldoende is ingegaan op een aantal van de door hem in bezwaar aangevoerde gronden.
4.1.
De rechtbank overweegt dat schending van artikel 3:2 van Pro de Awb – zo daar al sprake van is – in beginsel niet leidt tot vernietiging van de (navorderings)aanslagen en beschikkingen. Het gaat uiteindelijk om de vraag of deze naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de uitspraken op bezwaar niet onvoldoende gemotiveerd. In de uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur inzichtelijk gemaakt hoe hij tot zijn beslissingen is gekomen. Dat de inspecteur niet, of niet uitgebreid, heeft gereageerd op elke stelling van belanghebbende, maakt nog niet dat de uitspraken op bezwaar onzorgvuldig tot stand zijn gekomen of onvoldoende zijn gemotiveerd.
Het oproepen van getuigen?
4.2.
Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om getuigen te horen.
4.3.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het verzoek om zelf getuigen op te roepen en te horen, te honoreren. [2] Het oproepen van een of meer getuigen komt de rechtbank in het kader van de op haar rustende taak niet zinvol voor. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende zelf geen pogingen heeft ondernomen om ervoor te zorgen dat de getuigen bij de initieel geplande zitting aanwezig zouden zijn (althans dat is niet gebleken), hoewel de griffier in de uitnodiging voor de zitting belanghebbende heeft gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of bij aangetekende brief of door inschakeling van een deurwaarder op te roepen. Belanghebbende heeft voorts zelf afgezien van het recht om op zitting te worden gehoord.
4.4.
Belanghebbende heeft verder naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens verwezen. [3] Dit leidt niet tot een andere afweging. Voor zover het verzoek betrekking heeft op het oproepen van getuigen die voor belanghebbende belastende verklaringen hebben afgelegd die door de rechter voor het bewijs van de boeten zouden kunnen worden gebruikt, wordt weliswaar het belang van belanghebbende bij het horen van die getuigen voorondersteld, maar dat neemt niet weg dat het in de eerste plaats op de weg van belanghebbende ligt om die getuigen op te roepen. Naar het oordeel van de rechtbank schaadt de daarvoor in de Awb voorgeschreven werkwijze voor het oproepen van getuigen en de daaraan door de Hoge Raad gegeven uitleg niet de verdedigingsbelangen van belanghebbende. Hierdoor is belanghebbende ook niet het recht ontzegd om getuigen op te roepen. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de onderhavige procedure ook zonder het (nader) horen van de getuigen aan de vereisten van een eerlijk proces.
Schending van de onschuldpresumptie?
4.5.
Belanghebbende stelt in het beroepschrift dat hij strafrechtelijk niet is vervolgd, laat staan veroordeeld, waardoor het door de inspecteur gebezigde bewijs – dat ook in het strafrechtelijk onderzoek een rol heeft gespeeld – niet in de onderhavige procedures gebruikt zou mogen worden.
4.6.
De rechtbank overweegt dat deze stelling van belanghebbende feitelijke grondslag mist, nu belanghebbende inmiddels strafrechtelijk is vervolgd en bovendien is veroordeeld door de rechtbank (zie 3.16). Bovendien brengt de omstandigheid dat iemand na afloop van een strafrechtelijk onderzoek niet is vervolgd of niet wordt veroordeeld, niet mee dat het door de inspecteur gebruikte bewijs uit het strafrechtelijk onderzoek automatisch niet mag worden meegewogen in belastingprocedures. De belastingkamer van de rechtbank moet de zaken zelfstandig beoordelen en hanteert daarbij een ander beoordelings- en bewijskader dan de strafrechter. [4]
Heeft de inspecteur artikel 8:42 van Pro de Awb geschonden?
4.7.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Hierdoor heeft de inspecteur volgens belanghebbende artikel 8:42 van Pro de Awb en het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden. Belanghebbende wijst erop dat de volgende stukken niet zijn overgelegd:
het EOB aan Luxemburg van 23 juni 2021;
het EOB van 27 juli 2020;
het EBB van 27 juni 2021;
het PV met [PV-nummer 1] ;
het PV met [PV-nummer 2] ; en
de stukken uit de strafrechtelijke onderzoeken ‘Centurion’ en ‘26Bothell’.
4.8.
De rechtbank overweegt dat, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 van Pro de Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, dient te worden tegemoetgekomen aan een verzoek van belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) bij de besluitvorming in zijn zaak. [5]
4.9.
De rechtbank heeft geconstateerd dat de in 4.7 onder de letters a tot en met e bedoelde stukken zijn overgelegd. Voorts behoort het dossier ‘26Bothell’ tot de stukken van het geding. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er geen aanwijzingen – die draagt belanghebbende ook niet aan – dat de verklaring van de inspecteur dat hij alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en dat hij niet beschikt en ook niet heeft beschikt, over de stukken uit het strafrechtelijk onderzoek ‘Centurion’, onjuist zou zijn.
4.10.
Ook als stukken uit het strafrechtelijk onderzoek ‘Centurion’ wel tot de stukken van het geding zouden behoren – hetgeen naar het oordeel van de rechtbank dus niet het geval is – zou de rechtbank niet zonder meer gevolgen verbinden aan het alsdan niet overleggen van deze stukken door de inspecteur. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende in zijn bezwaarschrift tegen de over het jaar 2018 opgelegde aanslagen IB/PVV en Zvw zelf uit stukken van het onderzoek ‘Centurion’ citeert, hetgeen erop duidt dat hij zelf over deze stukken beschikt. Hij had deze stukken dus zelf in het geding kunnen inbrengen. [6]
4.11.
Voorts overweegt de rechtbank dat belanghebbende niets heeft aangevoerd over de vraag voor welk resterend geschilpunt de door hem genoemde stukken mogelijk van belang zouden kunnen zijn en de rechtbank ziet dat ook zelfstandig niet in.
4.12.
Verder overweegt de rechtbank dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel in deze zaken niet van toepassing is, aangezien er geen sprake is van bezwarende besluiten die zijn gebaseerd op nationale bepalingen die uitvoering geven aan Unierechtelijke voorschriften en evenmin aan de orde is of de toepassing van de nationale wetgeving een – al dan niet gerechtvaardigde – beperking inhoudt van de Unierechtelijke verkeersvrijheden. [7]
4.13.
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank artikel 8:42 van Pro de Awb niet geschonden.
Heeft de inspecteur het hoorrecht geschonden?
4.14.
Belanghebbende stelt dat het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden en beklaagt zich er onder meer over dat de inspecteur het hoorgesprek niet bij een [hotel] heeft willen voeren.
4.15.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur belanghebbende voldoende gelegenheid heeft geboden om te worden gehoord in zijn bezwaren (zie 3.17 en 3.18). De inspecteur heeft immers meerdere data voor een hoorgesprek voorgesteld en de mogelijkheid geboden om op verschillende kantoren van de Belastingdienst, telefonisch of digitaal te worden gehoord. Het is aan de inspecteur om de locatie voor het houden van een hoorgesprek naar eigen inzicht te kiezen. [8] De inspecteur heeft daarbij in dit geval niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld en voldoende rekening gehouden met de belangen van belanghebbende. Dat de regie voor het plannen van een hoorgesprek bij de inspecteur ligt, kan tevens worden afgeleid uit de omstandigheid dat belanghebbenden worden opgeroepen voor het horen. [9]
Zijn de (navorderings)aanslagen terecht en niet tot te hoge bedragen opgelegd?
Vooraf
4.16.
Belanghebbende heeft geen gronden aangevoerd tegen de in de onderhavige (navorderings)aanslagen IB/PVV begrepen belastbare inkomens uit sparen en beleggen.
4.17.
Ten aanzien van de voor het jaar 2018 opgelegde aanslag IB/PVV concludeert de inspecteur dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen dient te worden verminderd van € 7.019 naar € 2.080.
4.18.
De rechtbank zal het beroep tegen de voor het jaar 2018 opgelegde aanslag IB/PVV dan ook gegrond verklaren en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen vaststellen op € 2.080.
Was belanghebbende vanaf medio mei 2018 buitenlands belastingplichtige?
4.19.
Belanghebbende voert aan dat hij op 24 mei 2018 is verhuisd naar Curaçao en dat hij vanaf dat moment moet worden aangemerkt als buitenlands belastingplichtige.
4.20.
De inspecteur stelt dat belanghebbende in het gehele jaar 2018 binnenlands belastingplichtige was.
4.21.
Waar iemand woont wordt op grond van artikel 4, eerste lid, van de AWR naar omstandigheden beoordeeld. Daarbij moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Daarbij komt het erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt. [10] De bewijslast van het fiscale inwonerschap in Nederland rust in beginsel, bij de normale bewijslastverdeling, op de inspecteur.
4.22.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende gedurende het gehele jaar 2018 fiscaal inwoner was van Nederland. De rechtbank neemt daarbij het volgende, tezamen en in onderlinge samenhang bezien, in aanmerking:
  • belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit (zie 3);
  • in zijn aangiften IB/PVV over de jaren 2017 en 2019 heeft belanghebbende de woning als eigen woning aangegeven (zie 3.2);
  • in 2018 beschikte belanghebbende over zes bankrekeningen en een beleggingsrekening in Nederland (zie 3.4);
  • in 2018 beschikte belanghebbende in Nederland over een auto, waarvoor hij motorrijtuigenbelasting betaalde (zie 3.5);
  • de rechtbank acht aannemelijk geworden dat belanghebbende in heel 2018 in Nederland beschikte over een woning, te weten de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] , en daar ook met grote regelmaat verbleef. De rechtbank acht daarbij van belang dat belanghebbende in de BRP op dit adres ingeschreven stond van 30 januari 2004 tot 16 maart 2015 en van 11 september 2015 tot 30 november 2015 (zie 3.1), dat belanghebbende en de ex-echtgenote bij de doorzoeking van de woning op 2 november 2018 aldaar aanwezig waren (zie 3.7), dat de mobiele telefoon van belanghebbende zich het grootste deel van de periode van 29 mei 2018 tot en met 1 november 2018 in de woning bevond (zie 3.8), dat twee personen hebben verklaard dat belanghebbende in de woning woonde/verbleef (zie 3.11 en 3.12) en dat belanghebbende in 2017 en 2018 ruim € 275.000 heeft betaald voor (verbouw)werkzaamheden aan de woning (zie 3.13).
Het voorgaande sluit, zoals hiervoor ook overwogen, niet uit dat belanghebbende eveneens een band van persoonlijke aard met Curaçao, [plaats 4] of Spanje had.
4.23.
Gelet op het voorgaande luidt de conclusie dat belanghebbende in het gehele jaar 2018 in Nederland woonde in de zin van artikel 4 van Pro de AWR. Voorts is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende ook op grond van de tie-breaker voor toepassing van de Belastingregeling Nederland Curaçao [11] als inwoner van Nederland moet worden aangemerkt. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat belanghebbende op Curaçao weliswaar een woning ter beschikking had, maar dat hij in 2018 gedurende maximaal 14 dagen op Curaçao verbleef (zie 3.6). Verder heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden gesteld – laat staan aannemelijk gemaakt – die duiden op een band van persoonlijke aard met Curaçao. Hetzelfde geldt ten aanzien van de mogelijke woonplaats in [plaats 4] en Spanje, hoewel belanghebbende vaag blijft over wat nu exact wordt aangevoerd op dit punt. Ook op grond van de tie-breaker opgenomen in het Belastingverdrag Nederland – Verenigde Arabische Emiraten [12] en het Belastingverdrag Nederland – Spanje [13] zou, als belanghebbende daar al een beroep op doet, belanghebbende als inwoner van Nederland worden aangemerkt.
4.24.
Naar het oordeel van de rechtbank moet belanghebbende zich, gelet op wat hiervoor is overwogen, ook bewust zijn geweest van zijn fiscale woonplaats in Nederland. Dit met name gelet op de langdurige aanwezigheid in Nederland en het geringe aantal dagen dat belanghebbende op Curaçao of elders verbleef.
4.25.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, was belanghebbende in het gehele jaar 2018 binnenlands belastingplichtige.
Omkering en verzwaring van de bewijslast
4.26.
De inspecteur stelt dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende over de onderhavige jaren niet de vereiste aangiften IB/PVV en Zvw heeft gedaan omdat belanghebbende (contante) inkomsten niet heeft aangegeven, waardoor aanzienlijke bedragen aan verschuldigde belasting niet zijn betaald.
4.27.
Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast, waardoor de bewijslast hiervoor rust op de inspecteur. [14]
4.28.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in de jaren 2017 en 2018 forse bedragen aan niet-aangegeven inkomen heeft genoten.
4.29.
De rechtbank neemt daarbij allereerst in aanmerking dat alleen al de voor de grootschalige verbouwingswerkzaamheden aan de woning benodigde bedragen aanzienlijk zijn (zie 3.13), en die niet kunnen zijn bekostigd uit de door belanghebbende aangegeven inkomsten (zie 3.15). Bovendien heeft belanghebbende niet bestreden dat hij het in 3.14 genoemde bedrag van € 290.106,01 van Handelonderneming [B.V.] ( [B.V.] ) in de onderhavige jaren heeft genoten. Daarnaast heeft belanghebbende aanzienlijke bedragen contant uitgegeven, ook als geen rekening wordt gehouden met de door belanghebbende betwiste bedragen.
4.30.
Belanghebbende erkent ook dat hij in de onderhavige jaren veel uitgaven heeft gedaan, maar betwist dat hij die uitgaven heeft bekostigd met inkomsten die zijn verdiend in 2017 en 2018, zonder concreet en verifieerbaar inzicht te geven wanneer die inkomsten dan wel zouden zijn verdiend. Hoewel het kan zijn dat (bepaalde) uitgaven zijn gedaan met in andere jaren gespaarde inkomsten, is het als uitgangspunt aannemelijk dat ingeval meerdere jaren achtereen aanzienlijke uitgaven worden gedaan, daar ook inkomsten in die jaren tegenover staan. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om dit uitgangspunt te ontkrachten en een gemotiveerde en onderbouwde verklaring te geven hoe de uitgaven zijn bekostigd. Belanghebbende heeft mogelijke, vage, verklaringen gegeven, maar hij heeft geen bewijs overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij het hiervoor benodigde geld gespaard zou hebben. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat belanghebbende in elk geval een fors deel van de uitgaven heeft gedaan uit inkomen genoten in 2017 en 2018. Belanghebbende heeft echter over 2017 geen positieve inkomsten uit werk en woning aangegeven en voor 2018 slechts € 864. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat zodanige inkomsten zijn genoten dat de volgens de aangiften verschuldigde IB/PVV en Zvw zowel in absolute als in relatieve zin aanzienlijk lager zijn dan de werkelijk verschuldigde IB/PVV en Zvw.
4.31.
De rechtbank acht ook aannemelijk dat belanghebbende zich er, ten tijde van het indienen van de aangiften, van bewust was dat aanzienlijke bedragen aan verschuldigde belasting en premies niet zouden worden geheven door het niet vermelden van de door hem genoten inkomsten in de aangiften. Belanghebbende stelt dat hij de van [B.V.] genoten inkomsten in 2018 niet hoefde aan te geven omdat hij buitenlands belastingplichtige was, maar dat doet, gelet op wat is overwogen in 4.24, niet af aan het vorenstaande.
4.32.
Omdat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan, wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Dit geldt voor zowel de (navorderings)aanslagen IB/PVV als de (navorderings)aanslagen Zvw.
Redelijke schatting
4.33.
Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.
4.34.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur, met de uitleg in het verweerschrift en de informatie uit het in 3.14 bedoelde proces-verbaal, een redelijke schatting gemaakt van de door belanghebbende niet aangegeven (contante) inkomsten. Hij heeft dus voldaan aan de adstructie- en stelplicht. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de door de inspecteur bijgetelde inkomsten concrete (contante) ontvangsten en betalingen door belanghebbende en aan hem gelieerde (rechts)personen betreffen.
4.35.
Belanghebbende heeft vervolgens niet doen blijken dat het belastbaar inkomen uit werk en woning zoals vastgesteld in de (navorderings)aanslagen te hoog is. Belanghebbende heeft een aantal uitgaven concreet betwist, maar heeft niet overtuigend aangetoond aan de hand van bewijsstukken dat deze niet kloppen. Hetzelfde geldt voor zijn verklaringen voor de herkomst van de contante gelden waarmee de uitgaven zijn gedaan.
4.36.
Voorgaande betekent dat de belastbare inkomens uit werk en woning en de premie-inkomens die zijn vervat in de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 en 2018 worden gehandhaafd,
Zijn de boetebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld?
4.37.
Op grond van artikel 67d, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur een boete van ten hoogste 100% opleggen indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat de aangifte IB/PVV niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de AWR kan een boete worden opgelegd indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. In paragraaf 25, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst is bepaald dat, indien sprake is van opzet, de inspecteur een vergrijpboete kan opleggen van 50%. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Van voorwaardelijke opzet is sprake als iemand bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het beboetbare feit zich zal voordoen.
4.38.
De bewijslast dat sprake is van opzet rust op de inspecteur. Hij dient te doen blijken – overtuigend aantonen – dat aan belanghebbende kan worden verweten dat hij niet, onjuist of onvolledig aangifte heeft gedaan of dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. [15]
4.39.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur heeft doen blijken dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting, premies voor de volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet is geheven. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen is overwogen in 4.24 en 4.28 en acht de inspecteur op die punten ook in zijn verzwaarde bewijslast geslaagd. Naar het oordeel van de rechtbank is het buiten redelijke twijfel dat belanghebbende bewust onjuist belastingaangifte deed, wat voor 2017 het gevolg had dat de aanslag te laag is vastgesteld. Er zijn dan ook terecht boeten van 50% opgelegd.
4.40.
Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV over het jaar 2018 is de inspecteur ten onrechte uitgegaan van de veronderstelling dat belanghebbende geen aangifte had gedaan. Hierdoor is de vergrijpboete tevens berekend over de verschuldigde belasting over het wel door belanghebbende aangegeven inkomen uit sparen en beleggen. De inspecteur concludeert, naar het oordeel van de rechtbank terecht, dat dit onjuist is. De inspecteur stelt dat de boete om deze reden moet worden verminderd met € 3.158. De rechtbank zal de inspecteur hierin volgen.
4.41.
De rechtbank moet beoordelen of de boeten passend en geboden zijn. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, door het opleggen van boeten bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV én Zvw ter zake van dezelfde inkomenscorrecties, ter zake van dezelfde feiten, tweemaal in zijn vermogen wordt getroffen. De rechtbank zal daarom de boeten Zvw vernietigen. [16]
4.42.
De Hoge Raad heeft overwogen dat bij de beoordeling of een boete passend en geboden is, rekening gehouden moet worden met de omstandigheid dat de boetegrondslag is vastgesteld met omkering van de bewijslast. Dit betekent niet dat de vaststelling met omkering van de bewijslast in alle gevallen leidt tot matiging van de boete. [17] De rechtbank ziet in dit geval echter wel reden om de boeten opgelegd bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV te matigen omdat de aanslagen met omkering van de bewijslast zijn vastgesteld gelet op de enigszins grofmazige schatting. De rechtbank zal de boeten (verder) matigen met 10 %.
4.43.
Voorts vormt de duur van de procedures voor de rechtbank aanleiding de boeten verder te matigen, omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn (undue delay). De rechtbank stelt vast dat voor de boete IB/PVV 2017 als aanvangstermijn van de redelijke termijn geldt 3 augustus 2022, terwijl dat voor de boete IB/PVV 2018 4 november 2020 is. De rechtbank doet uitspraak op 22 juni 2026. Sinds de aankondiging van de boete IB/PVV 2017 is dus afgerond drie jaar en elf maanden verstreken en sinds de aankondiging van de boete IB/PVV 2018 is afgerond vijf jaar en acht maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat hiermee de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met afgerond 1 jaar en elf maanden respectievelijk drie jaar en acht maanden. [18] De boeten zullen daarom verder worden gematigd met 15% respectievelijk 20%, maar maximaal met € 10 .000 respectievelijk € 20.000. [19]
4.44.
Overige omstandigheden op basis waarvan de boeten (verder) moeten worden gematigd zijn gesteld noch aannemelijk geworden.
4.45.
Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende berekening van de boeten:
2017
2018
Vastgestelde boete
€ 188.446
€ 354.590
Vermindering i.v.m. inkomen uit sparen en beleggen
€ -3.158
€ 351.432
Matiging i.v.m. omkering van de bewijslast
€ 18.845
€ 35.144
€ 169.601
€ 316.288
Matiging i.v.m. undue delay
€ 10 .000
€ 20.000
Resterende boete
€ 159.601
€ 296.288
4.46.
De rechtbank acht boeten van € 159.601 respectievelijk € 296.288 passend en geboden.
Zijn de belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld?
4.47.
De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De belastingrentebeschikking opgelegd bij de aanslag IB/PVV 2018 wordt verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de overige belastingrentebeschikkingen. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de (navorderings)aanslag volgt.
Slagen de overige gronden van belanghebbende?
4.48.
Belanghebbende is zeer uitvoerig geweest in zijn stellingen en heeft zich daarbij op diverse rechtsbeginselen beroepen. De rechtbank heeft deze stellingen beoordeeld. Voor een deel is hierboven in de uitspraak ingegaan op deze stellingen. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel dan hiervoor is weergegeven.
Heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade?
4.49.
Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de bezwaar- en de beroepsprocedures.
4.50.
De rechtbank ziet aanleiding om een vergoeding toe te kennen. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltijd voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade van € 500 per half jaar overschrijding. [20]
4.51.
De rechtbank stelt vast dat alle zaken in hoofdzaak betrekking hebben op voorwerpen van geschil die met elkaar samenhangen. De motivering van de bezwaren en beroepen is in alle zaken nagenoeg identiek, dan wel vergelijkbaar. Gelet hierop bestaat er voor alle fasen van de procedure samenhang. Dit heeft tot gevolg dat ter vaststelling van het bedrag van de immateriële schadevergoeding éénmaal het tarief van € 500 per half jaar wordt gehanteerd.
4.52.
De inspecteur heeft het oudste bezwaarschrift ontvangen op 28 december 2021. Omdat de rechtbank uitspraak doet op 22 juni 2026, heeft de procedure in totaal (afgerond) 54 maanden geduurd. De redelijke termijn is daarmee met 30 maanden overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding van € 2.500. De rechtbank stelt vast dat de bezwaarfase voor zowel 2017 als 2018 niet langer dan zes maanden heeft geduurd. De schadevergoeding komt daarom geheel voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in het geding.
4.53.
Nu de boeten opgelegd bij de navorderingsaanslag Zvw 2017 (€ 1.449) en de aanslag Zvw 2018 (1.548) worden vernietigd, kan compensatie voor de schending van artikel 6 EVRM Pro wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting niet worden verleend door vermindering van die boeten. [21] Aangezien elke boete meer dan € 1.000 bedraagt, zal de rechtbank hiervoor compensatie voor de verdragsschending verlenen in vorm van een vergoeding van immateriële schade. [22] De schadevergoeding bedraagt € 2.000 voor de boete over het jaar 2017, waarbij rekening is gehouden met de aankondiging van de boete op 3 augustus 2022 (23 maanden overschrijding). Tussen de aankondiging van de boete en de uitspraak op bezwaar is afgerond 7 maanden verstreken. Daarom komt 1/23e (€ 86,95) voor rekening van de inspecteur en het overige (€ 1.913,05) voor rekening van de Staat.
Voor de boete over het jaar 2018 is de schadevergoeding € 3.000, waarbij rekening is gehouden met de aankondiging van de boete op 4 november 2021 (32 maanden overschrijding). Dit bedrag komt volledig voor rekening van de Staat.
4.54.
In totaal bedraagt de schadevergoeding daarom € 7.500, waarvan € 86,95 voor rekening van de inspecteur komt en € 7.413,05 voor rekening van de Staat.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen tegen de uitspraken op bezwaar over de aanslag IB/PVV 2018, de daarbij gegeven belastingrentebeschikking en de vergrijpboeten zijn gegrond. Dat betekent dat de inspecteur het griffierecht van twee maal € 50, in totaal dus € 100, aan belanghebbende moet vergoeden. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.
5.1.
Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend.
5.2.
Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666 en in beroep van € 934. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhang tussen de zaken. De zaken zijn immers (nagenoeg) gelijktijdig door de inspecteur en door de rechtbank behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde van belanghebbende konden in elk van de zaken (nagenoeg) identiek zijn. Nu sprake is van twee samenhangende zaken, waarin het beroep gegrond is, zal een factor van 1 worden toegepast. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend (1 punt) en heeft een beroepschrift ingediend (1 punt). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.600.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gericht tegen de uitspraken op bezwaar over de aanslag IB/PVV 2018, de daarbij gegeven belastingrentebeschikking en de boetebeschikkingen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar over de aanslag IB/PVV 2018, de daarbij gegeven belastingrentebeschikking en de boetebeschikkingen;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2018 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.357.971 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.080 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- vermindert de boetebeschikking bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 tot € 159.601;
- vernietigt de boetebeschikking bij de navorderingsaanslag Zvw 2017;
- vermindert de boetebeschikking bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 tot € 296.288;
- vernietigt de boetebeschikking bij de aanslag Zvw 2018;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 86,95;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 7.413,05;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 100 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.600 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan op 22 juni 2026 door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, voorzitter, en mr. V.A. Burgers en mr. J.A. den Braber-Riemens, leden, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [23]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Hoge Raad 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1786, r.o. 2.4.3 en 2.4.4.
3.EHRM 19 januari 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0119JUD000220516 ( [naam 1] tegen Nederland) en EHRM 15 maart 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0315JUD003996609 ( [naam 2] tegen Nederland).
4.Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:140, r.o. 3.3.
5.Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, r.o. 3.5.2.
6.Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1319, r.o. 2.2.
7.Hoge Raad 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2082, r.o. 2.5.3.
8.Hoge Raad 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1597, r.o. 2.4.
9.Artikel 7:4, derde lid, van de Awb.
10.Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824, r.o. 3.2.2.
11.Artikel 4, vierde lid, van de Belastingregeling Nederland Curaçao.
12.Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen.
13.Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Spaanse Staat tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen.
14.Vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, r.o. 3.3.1 en 3.3.2.
15.Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, r.o. 3.2.
16.Vgl. Hoge Raad 10 maart 1993, BNB 1993/198, r.o. 3.3.
17.Hoge Raad 18 januari 2008:ECLI:NL:HR:2008:BC1962, r.o. 3.6.8.
18.Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, r.o. 4.3.
19.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713, r.o. 4.16.
20.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3. 10 .1.
21.Hoge Raad 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, r.o. 5.3.1.
22.Vgl. Hoge Raad 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:279.
23.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de AWR.