Belanghebbende, een buitenlands beleggingsfonds, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2014 tot en met 2018. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten en de zaak op basis van het dossier beoordeeld.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Dit volgt uit de uitleg van het Unierecht en de Nederlandse wetgeving, waarbij het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het niet toekennen van teruggaaf aan buitenlands gevestigde beleggingsinstellingen die niet inhoudingsplichtig zijn. De Hoge Raad heeft dit bevestigd en de rechtbank ziet geen reden om hiervan af te wijken of prejudiciële vragen te stellen.
Belanghebbende voerde aan dat het niet toekennen van teruggaaf neerkomt op verboden staatssteun aan binnenlandse beleggingsfondsen, maar de rechtbank stelt dat het fbi-regime niet selectief is en dat rechtspraak geen staatssteun vormt. Ook de jurisprudentie van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad bevestigen dit standpunt.
De rechtbank komt daarom niet toe aan de overige verweren van de inspecteur en wijst de beroepen ongegrond. Belanghebbende krijgt geen terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter Bastiaansen op 2 februari 2026.