Belanghebbende, een buitenlands beleggingsfonds, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2021 en 2022. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten en de zaak op basis van stukken beoordeeld.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Dit volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, die heeft vastgesteld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor tegemoetkomingen op grond van de afdrachtvermindering. Belanghebbende kan zich niet beroepen op een vergelijkbaarheid met een fiscale beleggingsinstelling die wel recht heeft op deze regeling.
Verder overweegt de rechtbank dat zelfs indien sprake zou zijn van een belemmering, het rechtsherstel conform de Hoge Raad zou plaatsvinden via een vervangende betaling, waardoor geen hogere teruggaaf mogelijk is. Ook het argument van verboden staatssteun wordt verworpen, omdat het fbi-regime niet selectief is en de uitvoering van rechtspraak niet als staatssteun kan worden aangemerkt.
De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad die deze lijn bevestigen. Gezien het voorgaande worden de beroepen ongegrond verklaard, wordt het griffierecht niet teruggegeven en worden geen proceskosten toegekend.