Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2026 in de zaken tussen
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
- 2020 (zaaknummer 25/2390);
- 2021 (zaaknummer 25/2391);
- 2022 (zaaknummer 25/2392).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een buitenlands beleggingsfonds, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2020, 2021 en 2022. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten en beoordeelt of belanghebbende recht heeft op teruggaaf.
Belanghebbende stelt dat het recht heeft op teruggaaf omdat het vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi) en beroept zich op het vrije verkeer van kapitaal onder het Unierecht. De rechtbank verwijst naar het overgangsrecht en de afdrachtvermindering die sinds 1 januari 2008 geldt, en volgt de jurisprudentie van de Hoge Raad dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het niet toekennen van tegemoetkoming aan buitenlands gevestigde beleggingsinstellingen.
De rechtbank overweegt dat zelfs als er sprake zou zijn van een belemmering, het rechtsherstel conform de Hoge Raad zou plaatsvinden via een vervangende betaling, waardoor geen teruggaaf mogelijk is. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat het fbi-regime geen selectieve maatregel is en dat het niet toekennen van teruggaaf geen verboden staatssteun inhoudt. De beroepen worden ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de beroepen af en bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting.