Uitspraak
[belanghebbende], gevestigd te [plaats], belanghebbende
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
- 2020 (zaaknummer 25/4047);
- 2021 (zaaknummer 25/4048);
- 2022 (zaaknummer 25/4049).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een buitenlands beleggingsfonds, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2020, 2021 en 2022. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten en de zaak schriftelijk behandeld.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. De Hoge Raad heeft namelijk bepaald dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering. Belanghebbende kon geen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie doen en ook het beroep op het doel van de regeling bood geen soelaas.
Verder is geoordeeld dat het fbi-regime niet als selectieve maatregel kan worden aangemerkt en dat het niet toekennen van teruggaaf geen verboden staatssteun inhoudt. De rechtbank volgt eerdere uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad, die dit standpunt bevestigen.
Omdat geen recht op teruggaaf bestaat, is ook geen vergoeding van rente verschuldigd. De beroepen worden ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en proceskosten worden niet vergoed.
Uitkomst: De rechtbank wijst de verzoeken tot teruggaaf van dividendbelasting af en verklaart de beroepen ongegrond.