Uitspraak
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
- 2019 (zaaknummer 25/5823);
- 2020 (zaaknummer 25/5824);
- 2021 (zaaknummer 25/5825);
- 2022 (zaaknummer 25/5826).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een buitenlands gevestigd beleggingsfonds, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2019 tot en met 2022. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten en de zaak op basis van het dossier beoordeeld.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Dit volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, die heeft vastgesteld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering, omdat zij niet inhoudingsplichtig zijn in Nederland.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat het fbi-regime ongerechtvaardigde belemmeringen oplevert en dat er sprake is van verboden staatssteun aan binnenlandse beleggingsfondsen. De rechtbank verwerpt deze stellingen en benadrukt dat het fbi-regime niet selectief is en dat rechtspraak geen staatssteun vormt. Ook verwijzingen naar uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en het Hof van Justitie leiden niet tot een ander oordeel.
De rechtbank komt daarom niet toe aan de overige verweren van de inspecteur en wijst de beroepen ongegrond. Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van dividendbelasting, geen rentevergoeding en geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting.