ECLI:NL:RBZWB:2026:6473
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing teruggaaf dividendbelasting aan buitenlands beleggingsfonds op grond van Unierecht
Belanghebbende, een buitenlands beleggingsfonds, verzocht om teruggaaf van dividendbelasting over 2022, welke door de inspecteur werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing terecht is, mede gelet op het overgangsrecht en de jurisprudentie van de Hoge Raad die bepaalt dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het niet toekennen van tegemoetkomingen aan buitenlands gevestigde beleggingsinstellingen.
Belanghebbende stelde dat het fonds vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi) en dat het niet toekennen van teruggaaf een belemmering van het vrije kapitaalverkeer vormt. De rechtbank volgt dit niet en verwijst naar eerdere uitspraken en het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2020, waarin is bepaald dat rechtsherstel via een vervangende betaling plaatsvindt, die niet tot een teruggaaf kan leiden.
Daarnaast is het fbi-regime niet selectief en vormt het niet toekennen van teruggaaf geen verboden staatssteun. De rechtbank benadrukt dat uitvoering van rechtspraak geen staatssteun is. Ook eerdere uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad bevestigen dit oordeel.
De rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen en komt niet toe aan andere verweren van de inspecteur. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep op teruggaaf dividendbelasting wordt ongegrond verklaard en de afwijzing door de inspecteur bevestigd.