Uitspraak
[belanghebbende] , uit [plaats] (Duitsland), belanghebbende
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
- 2019 (zaaknummer 25/6685);
- 2020 (zaaknummer 25/6686);
- 2021 (zaaknummer 25/6687).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een buitenlands fonds, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2019, 2020 en 2021. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten en de zaak op basis van stukken beoordeeld.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. De Hoge Raad heeft namelijk vastgesteld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de vorm van afdrachtvermindering. Belanghebbende kon geen nieuwe argumenten aandragen die aanleiding geven tot een ander oordeel of het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Zelfs indien sprake zou zijn van een belemmering, zou het rechtsherstel volgens de Hoge Raad plaatsvinden via een vervangende betaling, waardoor geen hogere teruggaaf mogelijk is. De rechtbank sluit zich aan bij eerdere uitspraken en bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf of rentevergoeding.
De beroepen worden ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen en griffier S.A.C. Deeleman.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting of rentevergoeding.