ECLI:NL:RBZWB:2026:6474

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/5622, 25/5623 en 25/5624
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11a Wet op de dividendbelasting 1965Art. 8:57 AwbWet Overige fiscale maatregelen 2008Art. XXVI Wet Overige fiscale maatregelen 2008
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing teruggaafverzoeken dividendbelasting voor buitenlands fonds

Belanghebbende, een buitenlands fonds, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2019, 2020 en 2021. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten en de zaak op basis van stukken beoordeeld.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. De Hoge Raad heeft namelijk vastgesteld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de vorm van afdrachtvermindering. Belanghebbende kon geen nieuwe argumenten aandragen die aanleiding geven tot een ander oordeel of het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

Zelfs indien sprake zou zijn van een belemmering, zou het rechtsherstel volgens de Hoge Raad plaatsvinden via een vervangende betaling, waardoor geen hogere teruggaaf mogelijk is. De rechtbank sluit zich aan bij eerdere uitspraken en bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf of rentevergoeding.

De beroepen worden ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen en griffier S.A.C. Deeleman.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting of rentevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/5622, 25/5623 en 25/5624
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 juli 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] (Duitsland), belanghebbende

(gemachtigde: mr. T.C. Gerverdinck),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend tegen de uitspraken van de inspecteur van 30 september 2025 op de bezwaren van belanghebbende tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de volgende jaren, waaraan de rechtbank de volgende zaaknummers heeft toegekend:
  • 2019 (zaaknummer 25/6685);
  • 2020 (zaaknummer 25/6686);
  • 2021 (zaaknummer 25/6687).
1.1.
Een zitting is met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Awb achterwege gebleven.

Beoordeling door de rechtbank

2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur terecht geen teruggaven van dividendbelasting verleend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft belanghebbende recht op teruggaaf van dividendbelasting?
2.1.
Belanghebbende stelt – kort gezegd – met een beroep op het Unierecht dat recht op teruggaaf van dividendbelasting bestaat omdat belanghebbende vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (hierna: fbi).
2.2.
Gezien het overgangsrecht van artikel XXVI, leden 8 en 9, van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 [1] , is – kort gezegd – voor teruggaafverzoeken met betrekking tot de boekjaren vanaf het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2008 het regime van de afdrachtvermindering [2] van belang.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen, reeds gelet op het volgende. De Hoge Raad heeft beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door de omstandigheid dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen, in verband met het gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van de afdrachtvermindering. [3] In wat belanghebbende heeft aangevoerd tegen de beslissing van de Hoge Raad, ziet de rechtbank geen aanleiding om wel teruggaaf te verlenen of prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. [4] Voor zover belanghebbende aanvoert dat – mede gelet op het doel – de afdrachtvermindering niet in relevante zin (voor de toepassing van de belemmeringsvraag) afwijkt van de oude teruggaafregeling, kan dat belanghebbende evenmin baten. De rechtbank is in enige eerdere uitspraken, voorafgaand aan de HR-beslissing, [5] in de kern uitgegaan van een vergelijkbare opvatting, maar de Hoge Raad heeft anders beslist. [6]
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zelfs als wel sprake zou zijn van een ongerechtvaardigde belemmering van het vrije verkeer van kapitaal, dit belanghebbende niet zou kunnen baten. In dat geval zou – indien belanghebbende ook overigens vergelijkbaar is met een fbi – het namelijk naar het oordeel van de rechtbank voor de hand liggen dat rechtsherstel plaatsvindt op overeenkomstige wijze zoals de Hoge Raad in zijn beslissing van 23 oktober 2020 heeft uiteengezet voor – kort gezegd – de teruggaafregeling, dus met inachtneming van een zogenoemde vervangende betaling. [7] Dit overeenkomstige rechtsherstel zou niet tot een teruggaaf kunnen leiden. Voor een fbi is de tegemoetkoming in de vorm van de afdrachtvermindering immers nimmer hoger dan het door haar af te dragen bedrag aan dividendbelasting dat zij heeft ingehouden op de door haar uitgedeelde winst. Gelet daarop zou voor een buitenlands fonds een vergelijkbare tegemoetkoming maar dan in de vorm van een teruggaaf niet hoger kunnen zijn dan de vervangende betaling die op die teruggaaf in mindering zou komen, ook niet indien de grondslag voor de vervangende betaling zou zijn beperkt tot – kort gezegd – de Nederlandse winst. Opmerking verdient daarbij dat – afgezien van de kwestie van de grondslag van de vervangende betaling – de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten aanwezig acht voor het oordeel dat sprake is van redelijke twijfel dat de door de Hoge Raad voorgeschreven wijze van rechtsherstel bij de teruggaafregeling, verenigbaar is met het Unierecht. [8]
Ook wat belanghebbende in dit verband aanvoert onder verwijzing naar het arrest L-Fund [9] is geen aanleiding voor een ander oordeel. [10]
2.4.
In hetgeen Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft overwogen in zijn uitspraken van 26 oktober 2022 [11] , 18 januari 2023 [12] en 22 februari 2023 [13] , ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. Dit onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 13 september 2024. [14] Deze laatste uitspraak is tevens een bevestiging van al hetgeen hiervoor is overwogen.
2.5.
Gelet hierop wordt niet toegekomen aan de behandeling van de overige verweren van de inspecteur.
2.6.
Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft belanghebbende evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.

Conclusie en gevolgen

3. De beroepen zijn ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Belanghebbende krijgt ook geen vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Stb. 2007, 563.
2.Artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965.
5.Bijv. ECLI:NL:RBZWB:2019:5898, rov. 4.4.4 en 4.4.5.
6.Vgl. in verband met het laatste uitgebreider ECLI:NL:RBZWB:2022:1258.
7.ECLI:NL:HR:2020:1674, onderdeel 5.4.
8.ECLI:NL:RBZWB:2021:264, rov. 4.2.7 tot en met 4.2.14.
9.HvJ EU 27 april 2023, C-537/20, ECLI:EU:C:2023:339.
10.Vgl. de conclusie van AG Ettema van 3 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:988.