Uitspraak
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
- 2019 (zaaknummer 25/6541);
- 2020 (zaaknummer 25/6542);
- 2021 (zaaknummer 25/6543);
- 2022 (zaaknummer 25/6545).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een in de Verenigde Staten gevestigde belegger, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2019 tot en met 2022. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten en de zaak op basis van het dossier beoordeeld.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Dit volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, die heeft vastgesteld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de dividendbelasting via de afdrachtvermindering. Belanghebbende kon geen nieuwe gronden aandragen die aanleiding geven tot een ander oordeel of het stellen van prejudiciële vragen.
Verder overweegt de rechtbank dat zelfs als er sprake zou zijn van een belemmering, het rechtsherstel conform de Hoge Raad zou plaatsvinden via een vervangende betaling, waardoor geen hogere teruggaaf mogelijk is. Ook het beroep op verboden staatssteun faalt, omdat het fbi-regime niet selectief is en de uitvoering van rechtspraak niet als staatssteun kan worden aangemerkt.
De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad die deze lijn bevestigen. Gezien het voorgaande worden de beroepen ongegrond verklaard, wordt het griffierecht niet teruggegeven en worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting.