Uitspraak
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
- 2020 (zaaknummer 26/1158);
- 2021 (zaaknummer 26/1159);
- 2022 (zaaknummer 26/1160).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een buitenlands beleggingsfonds gevestigd in Duitsland, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2020, 2021 en 2022. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten en de zaak schriftelijk beoordeeld.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Belanghebbende baseert zijn verzoek op het Unierecht en stelt dat het vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi). Echter, de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering, omdat zij niet inhoudingsplichtig zijn in Nederland.
De rechtbank volgt deze lijn en ziet geen reden om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Ook het argument dat het niet toekennen van teruggaaf staatssteun zou zijn, wordt verworpen. De rechtbank benadrukt dat het fbi-regime niet selectief is en dat uitvoering van rechtspraak geen staatssteun vormt.
De beroepen worden ongegrond verklaard, belanghebbende krijgt geen teruggaaf, geen rentevergoeding en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak bevestigt eerdere jurisprudentie en de uitleg van het Unierecht omtrent dividendbelasting en afdrachtvermindering.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting.