ECLI:NL:RBZWB:2026:6551

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
BRE 24/4831
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen uitspraak over proceskostenvergoeding en wettelijke rente in belastingzaak

Belanghebbende heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 1 december 2025 waarin de rechtbank het beroep gegrond verklaarde vanwege een onjuiste berekening van de kostenvergoeding in de bezwaarfase, maar het beroep ongegrond verklaarde voor het verzoek tot vaststelling van een dwangsom.

De rechtbank beoordeelt dat het verzet gegrond is voor wat betreft de kostenvergoeding en de wettelijke rente, omdat de waarde per punt onjuist was toegepast en de rechtbank ten onrechte geen rente had toegekend. De rechtbank stelt de kostenvergoeding opnieuw vast op €333,- en veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van €116,75.

De rechtbank overweegt dat een zitting niet nodig was omdat de zaak geen feitelijke of juridische vragen opriep die niet schriftelijk konden worden beoordeeld. De motivering van de eerdere uitspraak is voldoende, ondanks het betwisten van de jurisprudentie door belanghebbende.

De rechtbank verklaart het verzet voor het overige ongegrond en wijst het beroep tegen het verzoek tot vaststelling van een dwangsom af. Tevens wordt bepaald dat wettelijke rente gaat lopen indien betaling van proceskosten en griffierecht niet tijdig plaatsvindt.

De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen en griffier W. Dekkers op 17 juli 2026.

Uitkomst: Het verzet is gegrond voor de proceskostenvergoeding en wettelijke rente, waarbij de kostenvergoeding opnieuw wordt vastgesteld en de inspecteur wordt veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/4831

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. T.G. van Laarhoven),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 december 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 1 december 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende gegrond heeft verklaard, omdat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase onjuist is berekend. Het beroep is ongegrond verklaard voor zover gericht tegen het verzoek tot vaststelling van een dwangsom vanwege het niet (tijdig) doen van uitspraak op bezwaar tegen de afwijzing van de dwangsom.
1.1.
Belanghebbende heeft aangegeven dat een zitting achterwege mag blijven.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 1 december 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep gegrond is omdat de kostenvergoeding onjuist is berekend en ongegrond is voor zover gericht tegen het verzoek tot vaststelling van een dwangsom. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1.
Belanghebbende voert in verzet het volgende aan:
a) Er is geen sprake van kennelijkheid, omdat in de motivering van de uitspraak wordt verwezen naar jurisprudentie en dit dus een beoordeling van de beroepsgronden vergde.
b) Bij de vaststelling van de kostenvergoeding heeft de rechtbank de waarde per punt per 1 januari 2024 gehanteerd, terwijl uitspraak is gedaan in 2025. Dit is onjuist.
c) In de uitspraak wordt slechts verwezen naar de lijn in de jurisprudentie die door belanghebbende juist wordt bestreden. De uitspraak is om die reden onvoldoende gemotiveerd.
d) In het beroepschrift is verzocht om vergoeding van wettelijke rente. De rechtbank heeft hier niet op beslist.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is ten aanzien van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase en de wettelijke rente. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
a.
a) Kennelijkheid
4. In gevallen waarin tussen partijen een geschil bestaat, kan de rechter de zaak afdoen met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb, indien hij na onderzoek van de gegevens van het dossier tot oordeel komt dat over de uitkomst van het geschil in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. Een zitting hoeft in elk geval niet te worden gehouden wanneer de zaak geen feitelijke of juridische vraagstukken oproept die niet naar behoren kunnen worden opgelost op basis van het dossier en de schriftelijke opmerkingen van de partijen. [2] De rechtbank is dan ook van oordeel dat een behandeling ter zitting achterwege kon blijven, nu de beroepsgronden in het licht van de aangehaalde jurisprudentie konden worden beoordeeld zonder dat daarvoor een nadere toelichting van partijen was vereist.
b) Kostenvergoeding bezwaar
5. De rechtbank heeft op 1 december 2025 uitspraak gedaan. De waarde punt voor bezwaar op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht was op dat moment € 647,-. In de uitspraak is ten onrechte uitgegaan van een bedrag van € 624,-. Het verzet is op dit punt gegrond.
5.1.
De rechtbank zal de kostenvergoeding voor de bezwaarfase opnieuw vaststellen. De vergoeding per punt moet worden berekend naar het tarief zoals dat geldt ten tijde van deze uitspraak. [3] De kostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase komt te bedragen € 333,- [4] . Voor zover de inspecteur al een deel heeft betaald, komt dat in mindering op het te betalen bedrag.
c) Motivering
6. Belanghebbende is het niet eens met de door de rechtbank aangehaalde jurisprudentie van het gerechtshof Amsterdam [5] , waaruit volgt dat het niet mogelijk is om binnen een lopende dwangsomprocedure een nieuwe dwangsomprocedure te starten en aldus dwangsommen te ‘stapelen’. Volgens belanghebbende is die uitspraak terug te voeren op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak, die daaraan geen motivering ten grondslag legt anders dan ‘in lijn met’ het niet kunnen verbeuren van een dwangsom wegens niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking. Dit wordt door belanghebbende, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, bestreden.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de enkele omstandigheid dat belanghebbende zich niet kan verenigen met de door de rechtbank gevolgde jurisprudentie, niet met zich meebrengt dat de uitspraak ontoereikend is gemotiveerd. Nu de uitspraak aansluit bij vaste jurisprudentie [6] die recent is bevestigd door de Hoge Raad [7] en belanghebbende geen omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven tot afwijking daarvan, kon de rechtbank met een verwijzing naar die jurisprudentie volstaan. Het beroep gericht tegen het verzoek tot vaststelling van een dwangsom is terecht ongegrond verklaard.
6.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen.
d) Wettelijke rente
7. Belanghebbende heeft in het beroepschrift verzocht om wettelijke rente. De rechtbank heeft hierover in de uitspraak van 1 december 2025 onterecht niets opgenomen. Het verzet is op dit punt gegrond. De rechtbank beslist dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien het griffierecht en/of de proceskostenvergoeding niet wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak. [8]

Conclusie en gevolgen

8. Uit de beoordeling van de gronden van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 1 december 2025 terecht heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, gegrond was omdat de heffingsambtenaar een te laag bedrag aan kostenvergoeding heeft toegekend en ongegrond was voor zover gericht tegen het verzoek tot vaststelling van een dwangsom. Bij de vaststelling van de juiste kostenvergoeding is de rechtbank in de uitspraak uitgegaan van de verkeerde waarde per punt. Ook heeft de rechtbank in de uitspraak geen wettelijke rente toegekend. Het verzet is op die punten gegrond.
8.1.
Nu het verzet (deels) gegrond is ziet de rechtbank aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 116,75 [9] . De rechtbank heeft een wegingsfactor 0,25 gehanteerd, omdat het verzet alleen slaagt omdat een onjuiste waarde per punt is gehanteerd en belanghebbende recht heeft op vergoeding van wettelijke rente over de door de rechtbank toegekende proceskosten en griffierecht.

Beslissing

De rechtbank
 verklaart het verzet gegrond, voor zover het de beslissing omtrent de proceskostenvergoeding betreft;
 vernietigt de uitspraak uitsluitend voor zover het de beslissing omtrent de kostenvergoeding in bezwaar betreft;
 veroordeelt de inspecteur in de kosten van de bezwaarfase tot een bedrag van € 333,-;
 veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in verzet tot een bedrag van € 116,75;
 beslist dat voor zover de proceskostenvergoeding en het te vergoeden griffierecht niet tijdig worden betaald, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan;
 verklaart het verzet voor het overige ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier.
griffier rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Hoge Raad 18 juni 2021, ECLI:NL:2021:966.
3.vgl. Hoge Raad 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:117 en Hoge Raad 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2698.
4.1 punt (bezwaarschrift) met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor 0,5 (licht).
5.Vgl. Gerechtshof Amsterdam 7 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:416, r.o. 5.2 en 5.3.
6.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 13 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2409 in samenhang met arrest Hoge Raad 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:37, CRvB 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:307, CRvB 4 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1815 en ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1290.
7.Hoge Raad 1 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:733.
8.Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.
9.0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,25.